Pagina:Keulemans - Vogels van de Kaap-Verdische Eilanden (1866).pdf/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 393 —

bijheid van het nest, waar hij onophoudelijk zingt, daarbij met de vleugels slaande, even als onze spreeuwen doen. Dikwijls hangt hij zingende van onderen aan het nest, vooral tegen den avond.

Wanneer de jongen uitgekomen zijn, verlaat het wijfje meer dan gewoonlijk het nest en wordt door het mannetje in de voeding der jongen bijgestaan. De jonge voorwerpen zijn, even als de moeder, van vele parasieten voorzien. Wanneer de jongen volwassen zijn en het nest verlaten hebben, vliegen zij nog eenigen tijd met de moeders. Ieder paar maakt voor het tweede broedsel een nieuw nest, en somtijds nog een derde nest voor het laatste broedsel. De paren die in Juli het eerst gebroed hebben, maken hun tweede nest in September en hun derde in Januari; doch niet allen maken drie nesten. Vandaar dat er in het algemeen in Januari minder jongen gevonden worden. Zij die reeds in Mei beginnen te broeien, maken zelden minder dan drie nesten en wel het laatste in September en Oktober. Wanneer het nest door stormen of eenige andere omstandigheden vernield wordt, maakt het paar dadelijk een ander. Daar de nesten aan de punten van takken of palmbladeren bevestigd, en dus meer aan onweder en stormen blootgesteld zijn, zoo gaan er velen verloren. Vermits nu deze vogels eenen ongeregelden paartijd hebben en somtijds verplicht zijn nieuwe nesten te maken, zoo schijnt het dat ieder paar het geheele jaar door broedt, hetgeen ook de meening der inwoners is. Wel is waar vindt men het geheele jaar door broeiende paren, doch nimmer maakt een paar meer dan drie broeisels.

Het voedsel dezer vogels bestaat uit vruchten en beziën; zaden en kleine rupsen nemen zij eveneens gaarne. Hun zang komt, even als de beweging met de vleugels, veel met die van onzen spreeuw overeen. Het gewoon geroep luidt als: sjierrr, sjierrr enz. Men vindt hen meer in bebouwde streken dan in het gebergte waar geene plantaadjes zijn. Zij zijn zeer mak, vooral de jongen, en kunnen den gevangen staat zeer goed verdragen.

De inboorlingen noemen dezen vogel Mello of Melro, hetwelk in het portugeesch Merel (Turdus merula) beteekent. Sommige inwoners meenen dat de naam Melro van Amarillo (geel) is afgeleid.


FRINGILLA (BUSERINUS) RUFILATUS.

Dit vogeltje komt, in grootte en vorm, eenigszins met ons kneutje overeen. De staart is echter korter en de geheele vogel iets zwaarder. Hij is geheel bruinachtig van kleur en er bestaat geen uiterlijk verschil tusschen de twee seksen.