Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/249

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


De eijeren, waarvan er vier à zes in één broeisel gevonden worden, zijn groot en tamelijk rond; zij hebben, op een grijsachtig witten grond, over de geheele schaal, maar voornamelijk aan het stompe einde, ongelijkmatige, rosse en grijze vlekjes, die echter door eene menigte donker purperkleurige en bruinachtig zwarte, dunne strepen bijna onzigtbaar worden gemaakt. De smalle streepjes ontbreken gewoonlijk aan de stompe of onderzijde, maar zijn overigens op de geheele schaal als gemarmerd, of als waren zij er met de pen op geteekend. Men vindt althans op zulk een ei altijd een aantal figuren, naar het cijfer 3, alsmede naar komma's, vraagteekens en punten gelijkende, waarom dan ook sommigen dezen vogel „Schrijver" noemen.

Alleen het wijfje broeit, terwijl het mannetje dan meestal in de nabijheid van het nest te vinden is. De jongen worden met insecten, soms ook met zaden, waarschijnlijk uit den krop, gevoerd. Bij eenige jongen vond ik te gelijk zaden en overblijfselen van spinnen in den krop. Vooral de larven van blad wespen, die op elzen of wilgen leven, worden door de ouden aangebragt en ook door dezen genuttigd, hoewel zaden van lage planten, alsmede hennepzaad, hun voornaamste voedsel uitmaken.

Den zang van het mannetje hoort men reeds van vroeg in de lente tot half September; reeds vóór zonsopgang is hij in de weer, en uren achtereen herhaalt hij zijn eentoonig, melankolisch geluid. Hij zwijgt meestal wanneer andere vogels zich doen hooren; 't schijnt dus dat de stilte van morgen- en avondstond bovenal zijn zanglust wekken. Des zomers, bij helder weder, is hij reeds bij de eerste ochtendschemering aan het zingen, 'tgeen wel eens tot de onderstelling heeft aanleiding gegeven, dat de Geelgors niet slaapt, daar men hem toch 's avonds tot bijna in 't donker nog hoort.

Men vangt in het najaar vele Geelgorzen op de vinkenbaan; in den paartijd ook door middel van slagnetjes, op den grond, in de nabijheid van het gekooide wijfje geplaatst. Des winters, als er sneeuw gevallen is, vallen zij in allerhande knippen, strikken of netjes, zoo er slechts eenig lokaas in ligt. Op de lijmstokken, met den Uil, vangt men hen daarentegen zelden, ofschoon zij lang achtereen om den vogelvijand heen blijven rondvliegen.

In de gevangenschap heeft de Geelgors in levenswijze veel overeenkomst met den Vink; hij zet, even als deze, zijn kuifje op, springt bedaard en klautert nooit, is in den beginne vrij schuw, en blijft liefst buiten het gezellig verkeer van andere