Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/257

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Pastoor Sommerfeld zegt, in zijne beschrijving van de vogels van Baranger Fiord, dat versch gelegde eijeren meestal groenachtig zijn met donkerbruine vlekken, vooral aan het stompe einde, en dat zij eerst onder het broeijen donkerder worden.

In aanmerking genomen de eenvoudige tinten van het wijfje, tegenover de in het oog vallende kleuren van het mannetje, is het zeer waarschijnlijk, dat alleen het wijfje broeit. De jongen worden met zaden en kleine insecten grootgebragt.

Het mannetje heeft een zacht kweelenden zang, waarvan de toonen „ziech ziech" het voornaamste deel uitmaken; het geluid is echter zeer aangenaam. Het gewoon geroep luidt nagenoeg als dat van de Geelgors, maar is iets minder krachtig, niet zoo schor en meer stootend. In gevangenschap zingen deze vogeltjes weinig.

Men vangt ze in het najaar, op den trek, meestal op de vinkenbaan. Alle winters komen er tot ons over, en menigmaal trof ik op de vogelmarkt jonge voorwerpen onder de pasgevangen Rietvinken (Emb. schœniclus) aan. Ik heb jongen en ouden levend gehad, en heb heden nog een jong mannetje in de kooi; de jongen slapen 's nachts op een stokje, maar de ouden blijven op den grond zitten en gaan bij dag dikwijls vlak op den buik in het zand liggen, even als de Leeuwerikken. Dit komt zeer wel overeen met de verschillende vormen der nagels bij jonge en oude voorwerpen.

Pas gevangen zijn zij zeer schuw, maar worden weldra mak. Men kan ze 's winters buiten houden, en zij behoeven geene groote kooi te hebben, om tevreden te zijn. Als er maar veel zand en een graszoodje aanwezig is, schijnen zij al zeer in hun schik, zetten hun kuifje op en laten onophoudelijk hun geroep hooren. De mannetjes beginnen reeds in Februarij te zingen, fladderen dikwijls met de vleugels, en baden zich gaarne.

Men geeft hun wit zaad, nu en dan een hennepzaadje, en wat jong groen. Ofschoon zij weinig voedsel noodig hebben, worden zij spoedig vet; alsdan zingen zij weinig en worden zij vadzig. Het best is dan, hun een bepaald dagelijksch rantsoen te geven, namelijk, genoeg om in 't leven te blijven, maar te min om zich te kunnen mesten.