Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/287

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE GROENLING.

FRINGILLA CHLORIS.


De Groenling is een vinkachtige vogel, die, door zijn eenigzins krachtigen snavel, tol de Dikbekken (Coccothraustes) overgaat. Hij staat, wat vorm betreft, tusschen het Sijsje en den Appelvink in, en wordt door sommige natuurkundigen als een nieuw geslacht (Chlorospiza) beschouwd.

Het is een trekvogel, die ons van April tot November bezoekt. In het najaar trekken er velen over, die Noordelijker gebroeid hebben, en van dezen blijven er dikwijls overwinteren. Van de hier te lande broeijende Groenlingen, komen de mannetjes eenige dagen vroeger dan de wijfjes. Kort na hunne aankomst paren zij en maken een zeer kunstig nest op de takken van kastanje-, linde- of hooge wilgenboomen. Gewoonlijk ligt het nest digt bij den stam en meestal boven in den boom. Met den nestbouw houdt zich vooral het wijfje bezig, terwijl het mannetje de materialen aanbrengt, welke uit grashalmen, worteltjes, verdorde bladeren, allerhande korstmossen enz. bestaan en met insectenspinsels of andere draadachtige zelfstandigheden zaamgehecht worden. Voornamelijk bezigen zij daartoe stoffen, welke in tuinen of nabij woningen te vinden zijn. zoodat men dikwijls eindjes bindtouw, dunne koordjes en stukjes papier in hunne nesten aantreft. Eens zag ik een Groenling bezig met een uit lappen bestaanden, zoogenaamden vogelverschrikker stuk te trekken, en toen ik later zijn nest ontdekte, bevond ik dat het bijna geheel uit zulke lappen was gemaakt. Ook gebruiken zij dikwijls veeren en koehaar voor het binnenwerk.

De eijeren, waarvan er vier à zes in een broeisel gevonden worden, zijn, in verhouding tot den vogel, klein; zij zijn lilaskleurig wit en onregelmatig met groote en kleine, licht en donker rosse vlekjes bedekt.

De jongen worden in den vrijen staat met zaden en jong groen, zoo als blad-