Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/297

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


deze hoedanigheden te kennen, omdat het veelal daarvan afhangt, of de vogel al dan niet zingt. Zoo b.v., wanneer men hem van kooi verandert of deze verplaatst, houdt de vogel dikwijls op met zingen, en geeft dan zelfs hoegenaamd geen geluid meer, totdat hij in zijne vroegere woning of op dezelfde plaats is teruggebragt. Anderen willen slechts dan zingen, wanneer zij voor den spiegel staan.—Er bestaan voorbeelden, dat sommigen dezer vogels geene vrouwen, anderen daarentegen geene mannen kunnen dulden, wanneer dezen hun onbekend zijn. Eene andere eigenschap van den Goudvink is, dat hij zijn meester of meesteres zeer goed van de andere huisgenooten weet te onderscheiden. Hij geeft dan ook door bewegingen en door zingen duidelijk zijne tevredenheid te kennen, als zijn meester hem toespreekt of eenige versnapering geeft. Daarentegen kan hij zich zeer boos maken en zelfs bijten naar personen, die hem plagen. Men dient zich hiervoor zeer in acht te nemen, daar de aanvallen van woede zóó hoog kunnen stijgen, dat het diertje er plotseling aan sterft.