Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/335

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


dergelijken vogel moesten zijn; en aangezien ik in die vlakten geene andere vinkachtige vogelsoort dan den Roodkop waarnam, meen ik dat die nesten hun aanzijn aan bek en pooten van Pl. erythrops te danken hadden; zij waren eenigzins bolvormig, buitengemeen veerkrachtig en, door middel van de vrij harde grasstengels en drooge, harde plantendraden, degelijk in elkaêr geweven; van binnen waren zij met dunnere grashalmpjes en grasbloemen gevuld; de opening was rond en eenigzins vooruitstekend, even alsof de materialen rondom den ingang er later en afzonderlijk waren aangebragt. De nesten, die aan stengels hingen en den ingang onderaan hadden, waren meer peervormig, naar beneden zeer breed en eenigzins zaamgedrukt.

Gewoonlijk bevatte ieder nest 3 jongen; slechts eens zag ik er een met eijeren, welke bijna uitgebroeid waren; ten minste, er waren reeds levende jongen in. Deze eijeren waren geheel geelachtig grijs, te naastenbij dezelfde tint als die van een gewonen slijpsteen (oliesteen), welke kleur zij waarschijnlijk door het bebroeid worden, hadden verkregen; aangezien de eijeren van Wevers over het algemeen blaauw zijn.

Het voedsel van dezen Wever bestaat in allerhande zaden, vooral graszaad, jong groen en de meeldraden van vele bloesems; ook palmbloemen worden door deze vogels gretig verslonden. Waarschijnlijk eten ze ook insecten, hoewel ik nimmer eenig spoor daarvan in hunne maag vond. In maïsvelden is deze vogel even schadelijk als de Rijstvogel op Java, te meer daar hij nooit alleen, maar altijd in groote troepen vereenigd die velden bezoekt. Daar houden zij zich dan gedurende het grootste gedeelte van den dag op, klauteren 's morgens vroeg en tegen den avond tegen maïsstengels naar boven, en verslinden de zaden. Dikwijls houdt zich eene geheele bende Wevers in een graanveld op, zonder dat men er één van gewaar wordt, daar zij zich bij naderend gevaar verschuilen. Komt men hen te digt nabij, dan vliegt de zwerm op eens omhoog, en strijkt een weinig verder weder neêr, om, zoodra zij de kans schoon zien, naar de vorige plaats terug te keeren.

Zij zijn schuw en moeijelijk te vangen, zelfs moeijelijk te schieten, daar men ze niet ligt onder schot kan krijgen. Wel vangt men ze dikwijls met kleine netjes, maar daarin raken zij toch niet zoo spoedig gevangen, als de meeste andere vogels, die in dezelfde streken wonen.

De gevangenschap verduren zij zeer goed, als men hun eerst versch, daarna gedroogd zaad, als gierst, hennep- en witzaad, geeft.

Het zijn in de gevangenschap regt aardige vogels; even als de Roodbek-Wever