Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/371

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE TORTELDUIF.

COLUMBA TURTUR.


Wij kennen in Nederland drie soorten van Duiven, namelijk: 1°. de Wilde, welke men in den natuurstaat en broeijende aantreft; 2°. de Tamme of Tilduiven, zijnde variëteiten, door kruising van rassen verkregen; 3°. die soort van Duiven, welke, uit vreemde gewesten herwaarts overgevoerd, in hunne gevangenschap voorttelen.

De Wilde Tortel is een vogel, die ons van April tot October bezoekt. Het mannetje (de Doffer) komt meestal een veertiental dagen vroeger dan het wijfje (de Duif) herwaarts, naar 't schijnt, om eene geschikte plaats voor het nest op te zoeken.

Spoedig na de aankomst der duiven paren zij en beginnen van eenige doode takjes, in den tijd van vijf tot tien dagen, een eenvoudig nest te bouwen, dat niet diep is en eene middellijn heeft van omstreeks 22 centimeters; zij plaatsen het op dikke takken, meestal nabij den stam, en gewoonlijk in linden- of kastanjeboomen, omdat deze vroegtijdig groote bladeren hebben, die eene goede beschutting opleveren voor de vele gevaren, waaraan het jonge broeisel is blootgesteld.

Het wijfje legt steeds twee eijeren, die glanzig wit, bijna ovaal van vorm zijn en in zeventien dagen, beurtelings door de beide ouden, worden uitgebroeid. Meestal zijn in elk broeisel beide geslachten vertegenwoordigd.

Bij hunne geboorte zien de jongen er nog alles behalve fraai uit met hunne stugge, weeke, geelkleurige haren, waartusschen de grijsachtig rosse huidkleur zich duidelijk vertoont. Zij blijven tot den negenden dag blind en worden in de eerste dagen gevoed met eene kaasachtige stof, die zich bij de ouden in den krop afscheidt. Als zij het nest verlaten, verschillen zij nog maar weinig in kleur van de ouden; alleen zijn zij