Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/397

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE RAADSHEERDUIF.

COLUMBA DOMESTICA.


Van de tamme Duiven heeft zeker geene door hare vederen een zonderlinger voorkomen, dan de Raadsheerduif. Ofschoon niet tot de alledaagsche rassen behoorende, is zij toch niet zeldzaam, en moet zij vroeger zelfs algemeen geweest zijn; althans reeds in een in 1678 uitgegeven werk van Willughby, „Ornithologie" getiteld, vindt men dezen vogel afgebeeld en daaromtrent het volgende vermeld: „Jacobijnen (Raadsheeren) worden in het Neder-Duitsch Kappers genoemd, omdat zich aan het achterhoofd eenige opwaarts staande veeren bevinden, die ook den geheelen nek beslaan, hetgeen eenigzins gelijkt naar de kap van een monnik, wanneer hij die achter het hoofd neergeslagen heeft. Zij zijn niet zeldzaam", enz.

Den naam „Kappers" hebben zij tot heden behouden, ofschoon daarmede meerendeels bedoeld worden die Raadsheerduiven, welke slechts weinig kraag hebben. Ook de jongen, die uit eene paring van de laatstgenoemden met Meeuwduiven zijn voortgesproten, worden door velen aldus genoemd.

Ook de naam „Raadsheerduif" schijnt door den kraag ontstaan te zijn, hetgeen mede voor de oudheid van het ras pleit, daar toch de hedendaagsche Heeren van den Raad niet meer met zulke breede kragen prijken.

Deze Duiven, in het Fransch   Jacobins (Monnikken der orde van St. Jakob) genoemd, en van welke wij in de beschrijving van de Nonduif reeds spraken, zijn „echt", wanneer de oogen wit, zoogenaamd „schoon" zijn, terwijl het neuswas van dezelfde kleur, de pooten rood en onbevederd, de kop, de stuit en de groote vleugelpennen, alsmede de staart met de onder- en bovendekveêren wit, en daarentegen de rug, de vleugeldekveêren, kleine vleugelpennen en de halskraag bruin moeten zijn; de verdeeling der kleuren moet dezelfde wezen, wanneer de vogels vaal grijs of somtijds donker zijn; doch, onverschillig met welke tinten, moeten