Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/404

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zeldzaam; sommigen hebben niet minder dan 42 staartpennen, in welk geval er twee rijen pennen achter elkaêr liggen, zoodat zij een dubbelen staart hebben; de meesten echter hebben niet meer dan 30 pennen en dan ook een enkelen staart. Hunne oogen zijn steeds donker, het neuswas korrelig en blaauwachtig wit, de pooten karmijnrood. Hoewel bij dit ras geen uiterlijk verschil van seksen bestaat, kan men toch zeer spoedig merken, welke van beiden de Doffer is, doordien deze zeer dikwijls pronkt en zich daarbij hartstogtelijker beweegt, dan de Doffers der meeste andere Duivensoorten. Bij het pronken is namelijk zijn ligchaam gedurig in eene sterk trillende beweging; daarbij rigt hij den staart naar boven en den kop naar achteren, zoodat deze elkander dikwerf raken; voorts loopt hij dan rondom de Duif, terwijl hij op den duur buigt, de vleugels langs den grond sleept, en den staart als een waaijer beweegt. De Duiven breiden ook den staart uit, maar buigen niet.

Dit zoo zonderling ontwikkeld ras teelt gemakkelijk voort. Niettegenstaande hun sterk ontwikkeld achterlijf, zijn het goede vliegers. In ons land treft men ze zeer zelden aan, ofschoon het een buitengewoon oud ras is, waarvan reeds Aldrovandus gewaagt, en hetwelk door Willoughby beschreven is onder den naam „Breedstaarttrillers of -bevers". Temminck beschreef ze onder den naam „Pigeons Paon", en zegt o.a., dat zij niet ver weg kunnen vliegen, daar zij, wegens hun breeden staart, spoedig door den wind zouden opgenomen worden; voorts, dat deze Duiven niet in ons klimaat inheemsch kunnen zijn, maar door den mensch uit verre gewesten herwaarts zijn ingevoerd. Ook meent Temminck, dat de Wilde of Rotsduif (Col. livia) niet als de grondvorm van dit ras beschouwd mag worden; wat dit laatste betreft, zijn er ook menigvuldige bewijzen voor het tegendeel.

Tusschen het eerste ras en het tweede, dat bij ons menigvuldig voorkomt, bestaat een standvastig verschil, hoewel vele duivenkenners meenen, dat bij de voorwerpen van het laatste, ten gevolge van kruising of andere omstandigheden, de staartpennen minder zouden ontwikkeld zijn. Kruisingen van het eerstgenoemde met een ander, onverschillig welk ras, leveren nooit die vormen op, welke bij dit tweede ras zijn aangewezen.

Behalve de witte en blaauwe, vindt men zeldzamer ook roode, isabellen, regelmatig geteekend bonte, en geheel zwarte. Het zijn mede sterke vliegers, en zij telen zeer goed voort, zoodat een gezond paar in één zomer soms wel 12 jongen voortbrengt. Bij voorkeur houden zij zich in de nabijheid van tuinen op, en voeden