Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/539

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE WILDE EEND.

ANAS BOSCHAS.


De Wilde Eend, het stamras van al onze verschillende Tamme Eenden, bewoont bijna geheel Europa, alsmede Noord-Amerika tot aan de golf van Mexico, en is op die plaatsen, waar zij gevonden wordt, meestal zeer menigvuldig. In ons land is zij de algemeenste eendensoort, en wordt, ofschoon zij eigenlijk een trekvogel is, dikwijls broeijende aangetroffen.

Zij onderscheidt zich van alle andere eendensoorten, doordien bij den Waard de vier middelste bovendekveêren van den staart naar voren gekruld zijn. Tusschen den Waard in zijn prachtkleed en de Eend is zoo veel verschil in kleur, dat niemand zich in de sekse vergissen zal. De Eend is namelijk niet alleen veel kleiner, maar heeft ook een meer grijzen bek, en haar geheele ligchaam is gelijkmatig bruinachtig gestreept, behalve de keel, die lichter van kleur is. De Waard verliest, echter niet door ruijing, omstreeks Junij, dus na den broeitijd, zijn zomer- of liever prachtkleed; eenige vederen vallen uit, maar worden niet door andere vervangen; de vederen van rug en borst verliezen het eerst haar glans en worden fletser; daarna vallen de omgekrulde veeren aan den staart uit, en komen er graauwe veertjes aan den kop te voorschijn, die de groene langzamerhand geheel vervangen, zoodat in ongeveer eene maand al de zoo fraaije veeren in een bruinachtig pak zijn overgegaan en de Waard bijna geheel de kleuren der Eend heeft aangenomen.

Eerst in Augustus begint de ruitijd. De Eend wisselt dan haar zomerkleed voor een winterpak van dezelfde kleur, doch is voller in de veeren, en de Waard krijgt langzamerhand zijne fraaije kleuren terug en komt omstreeks October weder in volle pracht te voorschijn. De Waard heeft dus, in tegenstelling met de meeste andere vogels, zijn prachtkleed van het najaar tot den volgenden zomer.