Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/74

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


broeijen, maar integendeel, hoe ouder zij worden, des te steviger nesten zullen zamenstellen. Zij kiezen daarvoor gewoonlijk de hoogste takken van hooge boomen, en bezigen als bouwmaterialen alleen doode takjes; soms echter wordt aan de binnenzijde van het nest ook wel heide aangetroffen. Als de takjes dooreen gevlochten zijn, brengt het mannetje in den bek slijk aan en werpt dit in de nog aanwezige openingen, meest altijd aan de binnen-, zelden aan de buitenzijde. Daardoor hechten zich de takjes vast en wordt het geheel steviger, 'tgeen dan ook, de hoogte, waarop het geplaatst is, in aanmerking genomen, wel het geval dient te zijn, wil het nest niet door stormen uit elkaêr gerukt worden.

Elk broeisel bestaat uit vier à zes eijeren, die flets blaauwachtig groen zijn, met graauwe, kleine, gelijkmatig verdeelde vlekjes. In kleur zijn zij, even als die van de Vlaamsche Gaai, aan de eijeren van alle andere kraaiachtige vogels gelijk, doch verschillen daarvan door hunne geringere grootte.

De broeitijd duurt gewoonlijk achttien dagen, soms een of twee dagen langer, al naardat het weder min of meer warm is. De jongen worden door beide ouden in de eerste dagen met rupsen en wormen, later met hardere insecten gevoed. Als ze reeds het nest kunnen verlaten, blijven zij nog eenigen tijd, die van het tweede broeisel meestal tot het volgende voorjaar, in 't gezelschap der ouden.

De oude Eksters blijven jaren lang gepaard, komen op dezelfde plaats terug, om te broeijen, maar maken daar een nieuw nest, waartoe echter nog dikwijls van de bouwstoffen van het vorige nest gebruik wordt gemaakt.

Het voedsel dezer vogels bestaat hoofdzakelijk uit insecten, kleine hagedissen, veldmuizen of wormen, die zij behendig uit den grond pikken; zij vangen ook vlinders en kevers in de vlugt, stelen de eijeren van andere kleine vogelsoorten en versmaden ook de zeer jonge voorwerpen niet, wanneer zij die magtig kunnen worden.

Hun stemgeluid is, ofschoon eenvoudig, meer ontwikkeld dan dat der overige inheemsche kraaiachtige vogels, en naar omstandigheden laten de Eksters verschillende geluiden hooren. Hunne lokstem is krachtig en wordt dikwijls schateren genoemd; men hoort die tegen en na, maar zelden gedurende den paartijd.

Bij hunne bewegingen in de boomen maken zij groote sprongen, doch op den grond loopen zij gewoonlijk, en springen alleen dan, wanneer zij spoediger vooruit willen komen. Het zijn zeer voorzigtige, schuwe en verstandige vogels,