De Planetariën hebben, daarenboven, zelfs niet het voordeel van tot onderwijs te kunnen dienen; op het hoogst genomen, zijn zij eene zeer onvolledige vertooning van het Wereldſtelſel. Zij kunnen wel de Hemelſche bewegingen, ten naasten bij, in derzelven everedigheid doen zien; doch geenzins den afſtand en de grootte der Hemelſche Ligchamen. Alle die raderen en ſtutten, welken men niet onzigtbaar maken kan, kunnen niet dan een zeer valsch denkbeeld geven van de eenvoudige en in werking zoo vruchtbare middelen, door de Natuur gebezigd.
De Heer Meker heeft een middel uitgedacht, om de Platina te zuiveren en ſmeedbaar te maken. Na dit Metaal in Konings-Water tot korrels ontbonden, en door Sal Ammoniac geprecipiteerd te hebben, brengt men het tot den ſtaat van een grijs poeder, door de werking van een ſterk vuur, in Keulſche Potten. Men brengt dit Poeder in Cijlinder-vormige ſmeltkroezen, en, na het ſterk op het Fornuis te hebben laten gloeijen, drukt men het zamen in Cijlinderſche Vormen, waar door de klompjes al verder op één pakken, en voltooit het geheele werk op het Fornuis: makende daar van platen van omtrent 917 grammes en 824 milliemes (30 incen,) gewigt.
Over de Stoïsche Wijsbegeerte en die van Aristippus.
De Stoïsche wijsbegeerte was de denkwijze van den man van ſtaat en bedrijf, die als vaderlander en wereldburger zijne ganſche werkzaamheid aanwendde, om het geheel nuttig te wezen. De Aristippiſche wijsbegeerte daarentegen voegde voor hem, die, als een bijzonder (privaat) perſoon, tot zulk eene hooge beſtemming niet geroepen, in de rust van een’ onſchuldigen lediggang te vreden was, als hij zich vrij en gelukkig gevoelde.
De grondregel der Stoïcynen was: de wijze onderwerpt zich altijd en in alles aan de eeuwige en onveranderlijke wetten van de natuur der dingen; zij vormden hunne denkwijze en daden eenig en alleen naar dit rigtſnoer; en hunne hoogſte vrijheid beſtond daarin: te willen, wat men moest; te doen, wat men kon. Die onveranderlijke natuur der dingen, die eenige maar ook onvermijdelijke wet van den wijzen, ſchreef hun in elk oogenblik en in alle betrekkingen des levens voor, wat regt was, en wat zij dus te willen en te betrachten hadden; en alleen om te weten, wat regt was, om altijd regt te handelen, beijverden zij zich, de dingen zoo te kennen, niet zoo als zij aan het bedrieglijk oog des vooroordeels en der driften toeſchijnen, maar zoo als zij in het oog van het gezond verſtand, dat is, zoo als zij waarlijk zijn. De wijze, getrouw aan dit beginſel, zag zich altijd aan, als een deel van het geheel, die ten gevalle van hetzelve alleen aanwezig was, en welks welzijn en volmaking met zijn eigen geluk zoo naauw verbonden was, dat hij ſlechts in zoo verre overeenkomſtig zijne natuur en gelukkig leefde, voor zoo verre hij ter volmaking van het geheel medewerkte. Zoo leerden de Stoïcynen zich aan de dingen te onderwerpen.
Van het ſtelſel van Aristippus weten wij maar zeer weinig met eenige zekerheid; want zijne ſchriften zijn verloren gegaan, en van de zoogenoemde Cyreneërs, zijne navolgers, kan men met geen’ genoegzaamen grond tot hemzelven beſluiten. Onder datgene, wat Diogenes Laërtius van hem gegeven heeft, zijn de anekdoten en bons-mots van hem het beste, hoezeer ook onder dezelven eenigen voorkomen, die zeer verdacht zijn. Maar, wanneer wij ook niets van hem wisten, dan wat Horatius in zijne Brieven en in eene plaats zijner Satiren zegt, zoo zou dit met eenige trekken, die men bij de Ouden van hem vindt, reeds genoegzaam wezen, om ons aangaande de denkwijze van dezen Wijsgeer, die zoo weinig geſchikt was, om goede navolgers te hebben, een vrij duidelijk denkbeeld te geven. De grondſlag zijner ganſche wijsbegeerte ſchijnt de volgende redenering geweest te zijn:
De mensch weet niets zekerer, dan dat hij is; want dat gevoelt hij; en dat zelfde gevoel zegt hem alle oogenblikken, wat hij is, namelijk een wezen, wiens beſtaan eene aanéénſchakeling van aangename of onaangename gewaarwordingen is, die hem van buiten aankomen, of welken hij zichzelven veroorzaakt. Daaruit weet hij wel, dat eene eindeloze menigte van dingen buiten hem zijn, maar wat nu die dingen op zichzelven zijn, weet hij niet; en daar het hem eigenlijk ook niets aangaat, zoo behoort hij ook niet, ’er zich over te bekommeren. Maar het geen hij zeker weet, om dat hij het gevoelt, is: dat hem deze dingen, deels regtſtreeks vreugde of ſmart veroorzaken, deels ook aanleiding geven, dat hij zich over dezelven kwelt. Dat laatſte te vermijden, hangt zeer van zijnen wil of van zijne wijsheid af; want zijne inbeeldingen en driften zijn in hemzelven, en hij kan derhalve, wanneer hij ſlechts wil en het regt aanvat, zeer wel meester over haar en zichzelven worden. Wat nu de dingen, die buiten hem zijn, aanbelangt, zoo moet hij (wanneer hij kan,) dezulken vermijden, welke hem ſmartelijk zijn, en zoodanigen zoeken, die hem genoegen geven. Kan hij het onaangename niet vermijden, zonder zich eene grootere onaangenaamheid aan te doen: zoo getroost hij zich, wanneer hij wijs is, het kleinere kwaad, om het grooter goed; en even zoo laat hij liever na, een genoegen te zoeken, wanneer hij weet, of zeer waarſchijnlijk altans vermoeden kan, dat het met meerdere onrust verbonden zij, dan het goede daarbij waardig is. Onvermijdelijke rampen verzacht hij zich door geduld; maar hij geniet al het aangename, alware het ook met eenig gering verdriet verbonden; evenwel geniet hij het als iets, dat men misſen kan, even gelijk men eene roos plukt, die op den weg groeit; en wijl de meeste dingen, niet door dat gene, wat zij zijn, maar door dat, wat wij hun geven, of door onze wijze van zien en voorſtelling, ons gelukkig of ongelukkig maken; zoo gewent ’er zich de wijze toe, om de dingen buiten hem van derzelver aangenaamſte en dragelijkſte zijden te beſchouwen. Door deze denkwijze houdt hij zich vrij en onafhanklijk, terwijl de ganſche wereld hem toebehoort. Hij bezorgt zich elk goed voor den goedkoopſten prijs, want hij geeft niets beters daarvoor uit; wordt het hem ontnomen, zoo beſchouwt hij het als iets, dat nooit het zijne was. Kortom, hij kan alles genieten, alles ontbeeren, zich in alles ſchikken; en de dingen buiten hem zijn nooit zoo vermogend, dat zij hem regeren, maar hij is en blijft meester over dezelven.
Aristippus en Antisthenes gingen van een’ en denzelfden grondregel uit. Het grootſte, wat mij mijne dochter Arete te danken heeft, (zeide Aristippus,) is: dat ik haar geleerd heb, aan niets, wat men ontbeeren kan, eenige waarde te hechten.
Hij zorgde altijd, dat het hem nooit aan geld oatbrak, zonder dat het geld ooit meer in zijne oogen gold, dan dat gene, wat hij daarvoor hebben kon. Hij gaf eens voor een veldhoea vijftig drachmen; iemand zijner vrienden beſtrafte hem over zoo groote verkwisting. Gij zoudt het toch ook gekocht hebben, (zeide de Wijsgeer,) wanneer het naar drie penningen gekost had? — „Wel zeker!” antwoordde de ander. — Wel nu (vervolgde hij,) zoo vijftig drachmen nu in mijne oogen niet meer zijn, dan uwe drie penningen, hoe dan?
Eens op reis zijnde, klaagde zijn Slaaf, dat zijn pak, hetwelk hij dragen moest, hem te zwaar wierd. Wat u te zwaar is, (zeide Aristippus,) moet gij wegwerpen.
THEATRE FRANÇAIS de la HAYE.
LES COMEDIENS ORDINAIRES DU ROI donneront Jeudi le 5 Février, LES DEUX FIGAROS, ou SUJET DE COMÉDIE, Comédie en cinq Actes et en prose, de Marthelly; suive des DEUX PÈRES, ou LA LEÇON BOTANIQUE, Vaudeville; en deux Actes de Dupaty.
NEDERDUITSCHE SCHOUWBURG.
In de Koninklijke Franſche Comedie-Zaal.
Op HEDEN, Dingsdag den 3 Februarij 1807, zal door de Nederduitſche Tooneellisten, in de Koninklijke Comedie-Zaal in den Haag, vertoond worden: DE SPANJAARDEN in PERU, of DE DOOD van ROLLA, Groot beroemd Toonelſpel, van den vermaarden Kotzebue; verſierd met al deszelfs fraaije Decoratiën, en verder Groot Spectakel. NB. Om de grootheid van dit uitmuntend ſtuk, zal ’er geen Naſtuk plaats hebben.
Gemeld Stuk is te bekomen bij de Wed. J. de Groot en Zonen.
ADVERTENTIEN.
⁂ Van wegens den MINISTER van ZIJNE MAJESTEIT den KONING van HOLLAND, tot de Zaken van Koophandel en Koloniën, zal in Amſterdam, ten overſtaan van Commisſarisſen bij het Ministerie voornoemd, op Woensdag den 11 Februarij 1807, ’s middags ten 12 uren precies, aan de minstaannemenden worden aanbeſteed zoo vela QUARTEELEN en HALVE-QUARTEELEN tot SPECERIJEN, als gedurende dit jaar bij het Ministerie zullen benoodigd zijn.
Volgens Conditiën, in het Pakhuis aldaar te zien.
De Aanbeſteding zal geſchieden bij toegezegelde briefjes, op het Oost-Indisch Binnenhuis te Amſterdam.
⁂ Van wegen het OFFICIE-FISKAAL bij het Departement van Convoijen en Licenten te Harlingen zijn, bij Citatiën ad valvas, ter ordinaire Rolle, in het Zee-Kantoor aldaar gehouden wordende, tegen Dingsdag dan 10 Februarij 1807, das voormiddags ten elf uren precies, gedagvaard, allen, die zouden willen komen ter reclame van twee PAKKEN, gemerkt PLH, No. 1 en 2, op den 19 October 1806 te Groningen aangehouden. II. Een WAGEN en negen Kistjes THEE, waarvan vijf op de emballage gemerkt KVH, No. 52, 55, 56, 59 en 60, en vier gemerkt SC, No. 6, 8, 9 en 10, mitsgaders het provenu van twee PAARDEN, op den 23 November 1806, aan het Lichtenberger Bosch, tusſchen Rysſen en Holten aangehouden.
Voor de tweede maal; allen, die zouden willen komen ter reclame van het provenu van 23 SCHAPEN en LAMMEREN, op den 7 October 1806, bij Schonebeek aangehouden.
Voor de eerſte maal: allen, die zouden willen komen ter reclame van I. Twaalf Korven AARDWERK, waarvan twee gemerkt zijn MI. No. 2 en 4, drie IH, No. 6, 9 en 10, en zeven IK, No. 1, 2, 4, 6, 7, 9 en 38, op den 25 September 1805, te Delfzyl aangehouden, en geligt uit het Schip de Vrouw Suſanna, gevoerd bij S. D. Barghoorn. II. Elf Korven AARDWERK, waarvan één gemerkt is WL, No. 1, twee HB. No. 1 en 11, en acht N. No. 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9, op den 25 September 1805, te Delfzyl aangehouden, uit het Schip de Vrouw Suſanna, Schipper S. D. Barghoorn. III. Drie Vaten en eene Korf AARDWERK, gemerkt PS, met twee ruiten ’er achter, No. 12, 16, 21, en de Korf, dito merk, No. 17, op den 25 September 1805, te Delfzyl aangehouden, uit het Schip de Vrouw Suſanna, Schipper S. D. Barghoorn. IV. Een Vat AARDWERK, gemerkt B en BW, No. 11, p[ den 28 September 1805, te Delfzyl aangehouden, en geligt uit het Schip, bevaren bij G. J. Juister, als bijlegger van S. D. Barghoorn. V. Vier Vaten AARDWERK, gemerkt BB, No. 1, BoS 71, C 49 en C 50, op den 1 October 1805, te Delfzyl aangehouden, en geligt uit het Schip de Vrouw Lucretia, gevoerd bij Harmen Emmeling. VI. Twaalf Korven AARDWERK, gemerkt IK, No. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 7 en 2, en vier Vaten GLASWERK, waarvan drie gemerkt met een ruit, en daarin K, No. 10, 13, 16, en een gemerkt AB en daar onder 5, op den 16 November 1805, te Delfzyl aangehouden, en geligt uit het Schip Nyſina, Schipper J. D. Smit. VII. Vier ſtukken PYLAKEN, in den nacht van 17 en 18 Augustus 1806, uit het huis van H. Haſelaar, bij Coevorden aangehouden. VIII. Het BOMSCHIP, de Vrouw Haasje genaamd, gevoerd bij Hendrik Ouwehand, op den 27 September 1806, te Harlingen aangehouden. IX. De LADING, of eenig gedeelte van dezelve, van het BOMSCHIP de Vrouw Haasje, gevoerd bij Hendrik Ouwehand, uit Ergeland te Harlingen aangebragt, en aldaar op den 27 September 1806 aangehouden. X. Een JACHT-GEWEER en toebehooren, 24 VORKEN met ijzere hegten, 12 dito MESSEN, een trancheer MES en VORK, een KURKEN-TREKKER, twee SCHAREN, drie PENNEMESSEN en KOKER, drie ſtukjes BATIST, CATOEN, een ſtukje ZIJDEN STOF, eenige paren Wollen KOUSSEN en HANDSCHOENEN, op den 6 October 1806 te Harlingen aangehouden uit het Schip, gevoerd bij Corn. Zonneveld. XI. 24 Boekjes POST-PAPIER, 6 ſtukjes BATIST, 6 dito gebloemd NETELDOEK, twee dito LAPJES, 12 ſtukjes BATIST NETELDOEK, en twee ſtukken DIEMIT, op den 6 Octotber 1806 te Harlingen aangehouden, uit het Schip de Jahde, geveerd bij Cornelis Zonneveld.
⁂ De STADS DOELEN, te Monnickendam, met primo Meij aanſtaanden te Huur zijnde, kunnen de Geïnelineerden zich deswegens addresſeeren aan den Raad derzelve Stad, op deszelfs gewone Vergadering, Zaturdag ’s morgens van 10 tot 11 uur.
Op last van gemelden Raad, JAN HOGERBEETS KERK.
⁂ Op ſpeciale authoriſatie, wordt elk en een iegelijk, die iets te pretendeeren heeft van ofte verſchuldigd is aan, ofte eenige gelden, goederen ofte papieren onder zich mogte hebben van Jurjen Kuilman, en Johanna Zuſanna van Marle, geſepareerde Echtelieden, te Kampen, verzocht daar van op en aangave of batalinge te doen, vóór den eerſten April 1807, aan W. O. Koolman, te Kampem; zullende na dien tijd op geene meedere ſchulden bedacht zijn of pretenſiën worden aangenomen.
⁂ De COMMISSIE van ONDERWYS in HOLLAND, Zuidelijk gedeelte, zal, tot het examineeren van SCHOOL-ONDERWIJZERS, buitengewoon Vergaderen, op Donderdag dan 12 Februarij 1807, des voormiddags ten half elf uren, boven de Hal te ROTTERDAM.
By het BUREAU der KONINKLIJKE COURANT, in den Haag.