Door Z. M. is, op den 26sten van sprokkelmaand, genomen het navolgend besluit:
Wij hebben besloten en besluiten:
Art. 1. Onder approbatie van de door Onzen minister van finantien gestelde orders, ten einde met de perceptie van het middel op de zeep, op den bestaanden voet, zou worden gecontinueerd, bepalen Wij, dat de introductie der wet, van den 21sten van wintermaand 1808, op dat middel gearresteerd, eene maand later, dan bij het eerste artikel derzelve was bepaald, en dus met den eersten van grasmaand aanstaande, zal plaats hebben.
2. Onze minister van finantien is belast met de executie van dit besluit.
Gegeven, te Amsterdam, den 26sten van sprokkelmaand 1809.
De minister van oorlog brengt, bij deze, ter kennis van allen en een iegelijk, welke zulks eenigzins zoude mogen aangaan, dat Z. M. de Koning, bij Hoogstdeszelfs besluit van den 13den dezer maand, no. 76, met intrekking van het besluit van het uitvoerend bewind, van den 21sten van grasm. 1801, no. 11, eene nieuwe inrigting heeft daargesteld, omtrent het verleenen van kortingen op de traktementen van activiteit, van non-activiteit, van retraite, van halve retraite of reforme van de officieren der landmagt, van alle rang, mitsgaders der administrateuren en officieren van gezondheid, tot dezelve behoorende; zullende voorschreve nieuwe inrigting, met den 1sten van lentemaand aanstaande, in werking gebragt worden; en informerende hij minister wijders, alle de daarbij belanghebbenden, dat het voorsz. besluit, ter koninklijke drukkerij, voor een ieder, tegen betaling, is verkrijgbaar gesteld.
| Amsterdam, den 23sten van sprokkelmaand 1809. |
De minister voornoemd, J. W. Janssens. |
PRUISSEN.
Berlyn den 15 van Sprokkelmaand.
Men heeft tijding, dat H.H. M.M. de Koning en Koningin van Pruissen, na derzelver vertrek uit Petersburg, op den 1sten dezer, den 6den, des avonds ten 5 uren, te Riga waren aangekomen, en den volgenden dag, des morgens, de reis hadden voortgezet.
Daags voor de aankomst bevonden H. K. H. de prinsen Wilhelm en August zich reeds aldaar, en hadden de reis naar Mittau aangenomen.
Den 8sten zijn H.H. M.M., in goeden welstand, des avondss, te Memel aangekomen, vergezeld zijnde door den rus-keizerlijke luitenant-generaal graaf van Lieven, eh den oversten Gorgolin. Den 9den werdt de reis naar Koningsbergen voortgezet.
DUITSCHLAND.
Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand.
Z. M. de Keizer en Koning heeft, bij een decreet, gedagteekend uit het keizerlijk kamp van Burgos, den 14den van slagtmaand 1808, het groot hertogdom van Berg verdeeld in de volgende vier departementen:
I. Het departement van den Ryn, verdeeld in vier districten of arrondissementen, zijnde Dusseldorp, Elberfeld, Mulheim en Essen, waarvan Dusseldorp de hoofdstad is; dit departement bevat 322,284 inwoners.
II. Het departement van de Sieg, verdeeld in twee districten of arrondissementen, zijnde Siegen en Dillenburg, waarvan Dillenburg de hoofdstad is; dit departement bevat 133,070 inwoners.
III. Het departement van de Rhoer, verdeeld in drie districten of arrondissementen, zijnde Dortmund, Hagen en Hamm, waar van Dortmund de hoofdstad is; dit departement bevat 212,602 inwoners.
IV. Het departement van de Ems, verdeeld in drie districten of arrondissementen, zijnde Munster, Coesfeld en Lingen, waar van Munster de hoefdstad is, dit district bevat 210,201 inwoners.
WETENSCHAPPEN.
geschiedenis.
Schets van het leven van Appollonius van Thyanes.
Vreemdheid, zucht om zonderling te schijnen, zijn in de wereld drijfveren, welke meer invloed op de menschelijke handelingen hebben, dan men over het algemeen wel denkt. Een groot bewijs voor deze waarheid vinden wij in den man, over denwelken wij ondernomen hebben onze lezers thans te onderhouden. Met grond gissen wij, dat in de twee bovengenoemde drijfveren, de ware beweegredenen der handelingen zijn gelegen van een man, wiens zonderlinge levenswijze en nog zonderlinger gedrag, den eerbied en bewondering van een groot getal eeuwen hebben naar zich gesleept.
Het is te bejammeren, dat de schriften van eenige auteuren, welke ons de levensbeschrijving diens mans hebben nagelaten, als daar zijn, Nicomachus, Sidonius Apollinaris, Tascius Victorianus, Soterichus van Oases in Egypte en anderen, zijn verloren geraakt [1]: misschien hadden wij alsdan beter de gelegenheid gehad ons oordeel te vellen, over een man, wien het heidendom, een tijdverloop van bijna vier eeuwen gedurende, tempelen en altaren oprigtte, en als God, ten minsten als vriend der goden, vereerde.
Vopiscus, de schrijver van het leven van Keizer Aurelianus, welke grooten eerbied voor Apollonius schijnt te hebben gekoesterd, belooft eene levensbeschrijving van hem te zullen geven, maar is daaromtrent zijn woord niet nagekomen [2].
De kerkvaders, in dewelke men hier en daar eenige trekken uit het leven van Apollonius zoude kunnen vinden, zijn evenmin in staat ons daaromtrent eenige inlichting te geven. Een zekere Hierocles, welke onder Keizer Diocletianus leefde, kwam op het denkbeeld, zich vergelijkingen te veroorloven [3]; en alhoewel het zekerlijk de schuld van Apollonius niet was, dat een ander, ettelijke honderd jaren na zijn’ dood, hem iets wilde doen zijn, waar aan hij niet wel ooit kan gedacht hebben, zoo trok de ijver van deze kerkvaders aanstonds daar over het harnas aan, en laadde den vollen last van hunne verontwaardiging op Apollonius, wiens leven en daden nu met de zwartste verwen afgemaald, ons, op deze wijze, niets prijzenswaardig, bijna niets, dat verdient gemeld te worden, aanbieden.
De nieuweren, welke in dienzelfden geest hebben geschreven, kunnen ons dus evenmin van veel dienst zijn; en wij achten het verre van onzen pligt, ons te bedienen van die modernen, welke van het leven van Apollonius geen ander gebruik hebben gemaakt, dan tot bespotting van den godsdienst; en wiens schriften, om die reden, door eenige gouvernementen, verboden zijn.
Wij vinden ons dus gedwongen, onzen toevlugt te nemen tot Philostrates, de eenigste der ouden wiens levensbeschrijving of liever wiens lofspraak van Apollonius tot ons is gekomen. Doch, welke zoodanig doorweven is met wonderlijke gevallen en ongeloofelijke mirakelen, dat zelfs de bijgeloovigste heiden, met geene mogelijkheid, aan alle de dwaasheden, waarmede deze levensbeschrijving is opgevuld, geloof heeft kunnen slaan.
Wij moeten echter tot verontschuldiging van Philostrates aanmerken, dat hij deze levensbeschrijving heeft opgesteld, op last en ten gevalle zijner vorstin, de Keizerinne Julia, gemalin van Keizer Alexander Severus, eene, gelijk men uit de schriften van Philostrates schijnt te moeten opmaken, bij uitstek bijgeloovige vrouw; om welke te behagen, en dus uit het prijslijk oogmerk om zijne vorstin te gehoorzamen, hij dingen heeft verhaald, waarvan hij misschien zelf slechts ten halve overtuigd was, en die hij, uit bovengemelde beweegredenen, echter niet naliet een weinig optesieren. Ten anderen, was hij genoodzaakt deze levensbeschrijving optestellen, volgens de gedenkschriften van een’ zekeren Damis, [4] het is waar, den zoogenoemden vriend en onafscheidelijken metgezel van Apollonius, maar buiten twijfel deszelfs speelpop; een onnozelen hals, voor welke het een’ man als Apollonius niet moeijelijk geweest moet zijn, allerhande zoogenaamde mirakelen te verrigten, met het oogmerk, om die, door middel van hem, in het algemeen bekend te doen worden.
De lezer duide het ons derhalve niet ten kwade, dat de schets, welke wij denzelven van het leven en de bedrijven van dien wonderbaren man zullen geven, als doorweven zij, met buitengewone voorvallen en wonderbaarlijke daden; en alhoewel het niet mogelijk is, op gebrekkige berigten, na een tijdverloop van zoo vele eeuwen, de schijnwonderen van een’ doorslepen gogelaar optehelderen, zullen wij echter trachten, den lezer, door eenige hier en daar verspreide aanmerkingen, in staat te stellen, zich een meer geregeld denkbeeld van dat wezenlijk belangrijk mensch te vormen.
Overigens hebben wij, behalve van Philostrates zelve, zeer veel gebruik gemaakt van den arbeid der heeren Tillemont en Crevier, [5] beide schrijvers van het leven der roomsche Keizers, welke ieder een uittreksel uit het leven van Apollonius van Thyanes uit Philostrates hebben gegeven, en voornamelijk is de laatstgenoemde ons van veel dienst geweest; want alhoewel wij, om bovengemelde redenen, niet hebben gedacht van de aanmerkingen van die heeren gebruik te kunnen maken, zoo is het uittreksel, vooral het geen de laatstgenoemde heeft vervaardigd, met zooveel naauwkeurigheid bearbeid, en alle de meest belangrijke voorvallen uit het leven van Apollonius daar in zoo duidelijk verhaald, dat wij gemeend hebben den lezer geen’ ondienst te zullen gedaan hebben, met dezelve, onder de tot ons ontwerp noodige veranderingen en verkortingen, tot leidraad van deze levensschets te nemen. {{c|* * *)) Apollonius werd geboren te Thyanes in Capadocien, onder de regering van Keizer Augustus, volgens de meening van sommige, omstreeks het jaar der stichting van Rome 748. Zijn vader was een der eerste en deftigste burgers van Thyanes, en, gelijk zulks zelden gemist heeft in die oude tijden, bij de geboorte van buitengewone mannen, te worden verhaald, zoo had zijne moeder, gedurende hare zwangerschap, allerhande droomen gehad, welke het verstand en de meer dan menschelijke kennis van haren aanstaanden zoon aanduidden. Onder anderen zoude Protheus haar verschenen, en tot haar gezegd hebben: » gij zult van mij verlossen.” Een donderslag, welke gereed was te vallen, hield zich in het oogenblik der geboorte van onzen held op, en verzwond in het zwerk.
- ↑ Sidonius Apollonaris, opist. III, lib. 8, Suidas in Aspologios: de heer Savaro, sprekende over Sidonius Apollonaris, stelt Plutarchus onder het getal der genen, die het leven van Apollonius hebben beschreven. Sayle, dict. crit. et hist. art. Apollonius, in Notis nota I. in fine. Indien dit waar is, dan moet men het verlies daar van dubbels bejammeren.
- ↑ Vopiscus in Aureliano.
- ↑ Eusebius de demonstrat. evangelica, pag. 511. Lactantius divin. Instit. lib. V. cap. 3.
- ↑ Tillemont, hist. des Empereurs Romains. Edit. de Bruxelles, tom. II, pag. 201.
- ↑ Tillemont, aangeh. plaats, pag. 200 en volg. Crevier, hist. des Empereurs Romains, tom. 7, livre XVII, § 5.