Deze en meer andere wonderbare sprookjes deden den jongen Apollonius bij zijne stadgenooten doorgaan voor een’ zoon van Jupiter, eenen titel, welken hij, voor zoo verre ons bewust is, zich zelven echter nimmer heeft aangematigd.
Reeds in zijne kindschheid toonde hij veel geest, en maakte ongeloofelijke vorderingen in de studie der letteren. Op zijn veertiende jaar werd hij door zijn’ vader naar Tarsis gezonden, alwaar hij het onderwijs van den rederijken Euthydemus genoot. Maar het verblijf in de stad Tarsis den jongen Apollonius, die van toen af aan eene bijzondere gestrengheid van zeden deed blijken, niet gevallende, uit hoofde van de vermakelijkheden, waarmede die stad was vervuld, verkreeg hij van zijnen vader, om met zijnen meester naar Eges in Cilicie te mogen vertrekken, alwaar men een minder verstrooid leven leidde, en waar naar toe hij bijzonderlijk getrokken werd door de nabijheid van eenen tempel der god Eskulapius, waarin men wonderdadige genezingen bewerkte, en welke vermaard was door de herhaalde verschijningen van dien god.
Hier voegde hij de studie der wijsbegeerte bij die der letteren. Hij betrachtte Plato, Zeno, Aristoteles, ja zelfs Epikurus, maar geen gevoel hem beter dan Pythagoras. Van toen af aan beheerscht wordende door de drift om van zich te doen spreken, gekitteld door de gedachten, dingen te zullen kunnen doen, welke ieder ander bovennatuurlijk moesten voorkomen, kon het niet missen, of eene wijsbegeerte, welke leerde »dat men de menschen behoort te bedriegen, om hen tot het goede te brengen,” kon het niet missen, of een meester, die een’ arend ep kommando om zijn hoofd deed vliegen, en de omstanders, in een’ schouwburg, zijne dijen als goud vertoonde, moest de lieveling en het voorbeeld van den toenmaals slechts zestienjarigen Apollonius worden. En indedaad van toen af aan gaf hij zich aan alle de gestrengheid der pijthagorische leer en levenswijze over, om daarvan nimmer weder aftewijken. Hij liet zijn haar en baard groeijen; nuttigde niets van het geen leven had ontvangen; dronk nimmer wijn; ging ongeschoeid; droeg geene kleederen, dan die uit het plantenrijk waren bereid; en onderhield eene onkreukbare kuischheid en onthouding, zelfs boven de leer van Pythagoras, welke slechts zijne leerlingen het overspel had verboden. Hij legde in alles zeer gestrenge zeden aan den dag, veroordeelde den dans en alle vermakelijkheden van dien aard, als de zinnen te veel in werking brengende, en beval vooral de werken van liefdadigheid ten strengsten aan.
Nu vestigde hij zijne verblijfplaats in den gemelden tempel van Eskulapius, en begon daar het gogelspel, hetwelk hij, zijn geheel leven door, heeft volgehouden, dat is, hij speelde de rol van thaumaturgus, of wonder-doctor, en gaf zich uit als hebbende eene onmiddelijke gemeenschap met de goden. Onbegrijpelijke genezingen oefende hij in menigte aldaar uit, en zijn roem klom toen reeds tot de wolken.
Een rijk Cilicier, welke slechts een oog had, bood den priester van Eskulaap eene groote somme gelds, indien hij, bij den god, de genezing van dit gebrek kon bewerken. Apollonius weigerde, zoodra hij den naam van den man had vernomen, zijne tusschenkomst. »Want, zeide hij, het is een’ misdadige, onwaardig alhier te worden toegelaten.” En indedaad was het een bloedschendige, aan wien zijne huisvrouw, om die rede, een oog had uitgerukt.
Een gouverneur van Cilicie deed Apollonius, die in dien tijd een schoon jongeling moet geweest zijn, schandelijke voorlagen, en dreigde, toen die ronduit werden afgeslagen, hem het hoofd te doen afhouwen. »Ik wacht u tegen dien dag, zeide Apollonius. En op dienzelfden aangewezen dag, werd de gouverneur, als schuldig aan verstandhouding met Archelaus, Koning van Kappadocie, op last van Keizer Tiberius, ter dood gebragt.”
Wij willen den lezer geenszins met het verhaal van de overige wonderdaden en met dat der genezingen, die Apollonius in dien tijd bedreef en uitvoerde, ophouden; maar zullen alleen aanmerken, dat de twee boven aangehaalde anecdoten, even min, als de andere wonderdadige genezingen bij Philostrates te vinden, ons geenszins zoo ongeloofeijk voorkomen, maar integendeel ons zoo mogelijk toeschijnen, dat deze hem in geenen deele den naam van een tovenaar, welke hem in latere eeuwen is toegevoegd geworden, hebben kunnen doen verdienen. (Het vervolg hierna.)
ZEETIJDINGEN.
Den 26sten van sprokkelmaand, in Texel binnengekomen H. H. Heying, de Vr. Amatentia, van St. Jago, gedestineerd naar Bergen, binnen door lekkage; de wind Z. W.
Den 25sten, in ’t Vlie niets gepasseerd; de wind westelijk.
Van den 22sten tot dea 24sten, op Westerschelling niets gepasseerd; de wind N. en Z. W.
Eergister is in Eijerland alhier binnengekomen het papenburger smnakschip de Agatha, schipper Jan Hendriksz, komende van Delfzijl en gedestineerd naar Norden, geladen met haver, boonen en hammen; was door de Engelschen, te Delfzyl, genomen geweest, en had nog vijf engelsche manschappen aan boord; is, na over de Eijerlandsche gronden gestooten te zijn, zwaar lek geworden, en vervolgens bij het binnenzeilen alhier hernomen door ’s Konings kanonneerboot, gekommandeerd door den luitenant J. Waarbroek, in de Roggesloot liggende.
MINISTERIE van BINNENLANDSCHE ZAKEN.
⁂ Alzoo, door het vertrek van den heer J. L. Rapin de Thoyras, naar Arnhem, met primo bloeimaand 1809, het rectoraat der latijnsche scholen, benevens de directie over bet opvoedings-institut en kostschool, binnen de stad Hattem, zal komen te vaceren, worden alle die genen, welke in staat zijn en genegenheid hebben, om, op een jaarlijksch traktement van ƒ 450:-:-, benevens eene vrije woning, aanzienlijk minerval, en verdere emolumenten, als rector en directuer over het opvoedings-institut binnen voorschreve stad, mits de grieksche, latijnsche, fransche en andere levendige talen, als ook de geographie, historie, en al wat verder tot eene behoorlijke opvoeding vereischt wordt grondig kunnende doceren, van den protestantschem godsdienst, en zijnde gehuwd, liefst met eene vrouw, welke in staat is, om jonge jufvrouwen in eenige handwerken te kunnrn onderwijzen, verzocht en uitgenoodigd, om zich, zoo spoedig mogelijk, ter secretarij van gemelde stad te adresseren.
MINISTERIE van OORLOG.
⁂ Alzoo Eduard van Giezen, geboren te Haarlem, oud 20 jaren, lang 5 voet, hebbende bruin haar, oogen en wenkbraauwen, een middelmatigen neus en kleinen mond, eene spitse kin, zijnde glad van wezen en breed van voorhoofd, als soldaat van de 5de compagnie, 2de battaillon, 8ste regiment infanterie van linie, is gedeserteerd uit het kwartier te Altona in Duitschland, en heeft eenige compagnies goederen medegenomen;
Hendrik Hanse Volkers, geboren te Delft, oud 20 jaren, lang 4 voet, 1 duim, hebbende bruin haar, oogen en wenkbraauwen, een kleinen, neus en mond, eene ronde kin, zijnde breed van voorhoofd rond en pokdalig van wezen, als soldaat van de tweede compagnie, artillerie-veldtrein, is gedeserteerd uit het kwartier te Neuendorf bij Altona;
Gerhard Heymans, geboren te Leeuwarden, oud 51 jaren, lang 5 voet, 5½ duim, hebbende bruin haar en wenkbraauwen, blaauwe oogen, een ordinairen neus en mond, eene ronde kin, zijnde breed van voorhoofd en blozend Van wezen, als soldaat van de 2de compagnie, 2de battaillon, 9de regiment infanterie, is gedeserteerd van de armee in Duitschland, en heeft mede genomen zijne montering-stukken;
Klaas Lubberts, geboren te Bingum, in Oost-Vriesland, oud 27 jaren, lang 5 voet, 5 duim, 1 streek, hebbende bruin haar, oogen en wenkbraauwen, een spitsen neus, en ordinairen mond en kin, zijnde breed van voorhoofd en blozend van wezen, als soldaat van de tweede compagnie, 2de battaillon, 9de regiment infanterie, is gedeserteerd van de armee in Duitschland, heeft medegenomen zijne montering-stukken;
Zoo worden de officieren van justitie en alle geconsumeerde magten, mitsgaders elk en een iegelijk, wie hij ook zij, door den provoost-generaal der landmagt van Zijne Majesteit den Koning, als hiertoe behoorlijk gequalificeerd, mits deze, verzocht en uitgenoodigd, alle navorschingen te willen doen, ten einde de opgemelde personen, als militairen den dienst van Zijne Majesteit den Koning verlaten hebbende, opgespoord, en in verzekerde bewaring genomen worden, met belofte, dat die gene, welke dezelven zal hebben ondekt, met dat gevolg, dat zij in handen der justitie geraken, naar den inhoud der proclamatie van den 22 junij 1799, de daarvoor uitgeloofde premie van één en- twintig guldens genieten zal.
De propoost-generaal voornd.
Den Haag, den 25sten van sprokkelmaand 1809. J. Anthonisse.
MINISTERIE van JUSTITIE en POLITIE.
⁂ De gebroeders van Cleef, ’s Konings boekverkoopers, te Amsterdam en in den Haag, hebben, van maandag den 20sten tot zaturdag den 25sten van sprokkelmaand 1809, voor de koninklijke bibliotheek en het ministerie van justitie en politie, ontvangen drie exemplaren van ieder der navolgende uitgekomen werken:
Het beleg vau Rochelle, 1ste deel, in 8o.; te Middelburg, bij Abrahams en J. Ooms.
Nagelaten gedichten van J. P. en Vrouwe Kleyn, klein 8o.; te Utrecht, bij J. van Schoonhoven.
Stolker, Hugonis Grotii Epistolæ, &c.; te Leyden, bij D. du Mortier en zoon.
G. Bruining, Dichterlijke uitweiding over den watervloed, enz.; bij denzelfden.
Korte schets der hollandsche taal voor eerstbeginnenden, klein 8o.; te Rotterdam, bij W. Locke.
Het karakter van een opregt patriot, in 4o.; te Rotterdam, bij J. van Santen.
Ewald, Karakterschetsen uit de lijdensgeschiedenis van Jezus, groot 8o.; te Amsterdam, bij J. van der Hey.
De watersnood in 1809, historisch dicht-tafereel, groot 8o,; te Amsterdam, bij P. J. Uylenbroek.
Teksten, gepredikt te Amsterdam, op den dank- en bededag, den 22sten van sprokkelmaand 1809; te Amsterdam, bij F. Berntrop.
Idem, te Rotterdam, in 4o.; te Rotterdam, bij N. Cornel.
T. C. K. Beilanus, Mengeldichtjes voor de jeugd, klein 8o.; te Leemwarden, bij J. W. Brouwer.
De leer der heidelbergsche catechismus verklaard, enz., 1ste deel, groot 8o.; bij denzelfden.
Soemmering, Verhandeling over de navelbreuken, groot 8o.; te Amsterdam, bij L. van Es.
P. Gattieri, Gazophylecium græcorum, cum auctario F. L. Abresch; te Leyden, bij A. en J. Jonkoop.
A. Rutgers, Leerrede over Amos IX, vs. 5, groot 8o.; te Haarlem, bij J. L. Augustini.
F. Sancti, Minerva, seu de causis linguæ latinæ commentarius, cum notis E. Scheidii, editio septima, in 8o.; te Amsterdam, bij P. den Hengst en zoon.
Bibliotheca critica, vol. 5, pass. 4, in 8o.; bij denzelfden.
Ovidii Heroïdes Sabini Epistolæ, cum animæ adversionibus D. J. van Lennep, in 12o.; bij denzelfden.
Maand- en Week-Bladen.
Geneeskundig magazijn, 5de deel, 1ste stuk, 3de afdeeling.
Algemeene konst- en letter-bode, no. 8.
De bijenkorf, 2de deel, no. 42.
Schiedamsche courant, no. 22, 23 en 24.
De held der rede, no. 307.
⁂ Uit krachte der autorisatie, verleend bij president en schepenen der stad Zierikzee, ten verzoeke van den wel edelen gestrengen heer Johan Cornelis Kroef, in qualiteit als baljuw der gemelde stad en onderhoodige jurisdictie R. O., zoo is het, dat ik ondergeteekende dienaar der justitie, uit den naam en van wegen welgemelden baljuw, bij deze, voor de eerstemaal, dagvaarde de personen van Christiaan van Ballegooy, korporaal, en Hendrik Bouwe, kanonnier in de 3de compagnie, 2de battaillon koninklijke artillerie te voet, laatst garnizoen gehouden hebbende in den eilande van Schouwen, doch beide thans voortvlugtig, omme te compareren in persoon, voor welgemelden geregte, ten steene alhier, op vrijdag, die wezen zal, den 3den van lentemaand eerstkomende, des voordenmiddags ten ure der vierschaar, ten einde te aanhooren zoodanigen eisch en conclusie, of verzoeke van provisie, als den eisscher, R. O., ter zake, de gedaagden in persoon, onder de vehementste suspicie zijn gebragt, van, met meer andere, na zich eerst zwart en onkenbaar te hebben gemaakt, in den nacht tusschen den 13den en 14den van zomermaand van den jare 1805, zich te hebben begeven ten huize van zekeren Adriaan de Vin, landman, onder den dorpe van Renesse, in den eilande van Schouwen, en aldaar hebben gepleegd gewelddadigheid, vergezeld met bedreigingen inbraak en diefte, zal willen doen én nemen, daarop te antwoorden en verder voort te procederen als in goede justitie bevonden zal worden te behooren.
| Zierikzee, den 13den van sprokkelmaand 1809. |
Christoffel Hillebrand, dienaar der justitie. |
JUDICATURE over de middelen te water en te lande.
⁂ Van wegen het officie-fiskaal der convooijen en licenten bij het departement Zeeland, te Zierikzee, zijn, tegens dingsdag den 7den van lentemaand 1809, des voormiddags ten elf uren, ter rolle voor den commissaris-generaal des Konings, voor de zaken der convooijen en licenten, te Zierikzee, bij affixie van biljetten, voor de tweede maal gedagvaard alle de genen, welke zouden willen komen ten beschutte en bescherme van vier-en-zestig balen wel geconserveerde cacao, gemerkt MP, in eene ruit, en daar onder W, no. 1 tot 3, en no. 5 tot 65, waarvan eenige open en meer of minder dan half gevuld zijn; eenhonderd stuks dito balen cacao, gemerkt MP, in eene ruit, en daar onder M, no. 1 tot 100, zijnde mede sommige open en meer of minder dan half gevuld; acht-en-vijftig ongemerkte koornzakken, gevuld met grooge cacao, en twee kleine gedeeltelijk gevulde vatjes limoensap, met ijzere banden, en den zeedijk van den