nogmaals iets aantevangen, en zulks te meer, dewijl men verneemt, dat de pacha van Rudschuk gereed is, met eene armee van 60,000 man, tegen de vijanden der seimens te velde te trekken.
RUSLAND.
Petersburg den 8 van Sprokkelmaand.
De buitengewone gevolmagtigde gezant van het oostenrijksch hof, vorst van Schwartzenberg, is alhier aangekomen.
DUITSCHLAND.
Straalsund den 21 van sprokkelmaand.
De slooping der vestingwerken, die nu reeds ongeveer 4 maanden duurt, zal als nu, ten laatsten binnen drie weken, voleind zijn; hebbende men tot dat einde 3600 werklieden opgeroepen.
Frankfort den 22 van Sprokkelmaand.
Heden is alhier publiek gemaakt den volgenden brief, welke in dato den 12den van wijnmaand 1808, door H.H. M.M., de Keizers van Rusland en Frankrijk, tot geleide der ter dier tijd plaats gehad hebbende vredes-onderhandelingen, zoude zijn geschreven aan den Koning van Engeland:
Sire!
»De omstandigheden, waarin Europa zich bevind, hebben ons te Erfurt verzameld. Onze eerste gedachte was aan den wensch en aan de behoeften van alle de volken toetetreden, en bij eene schielijke bevrediging met Uwe M. het heilzaamst middel te zoeken, tegen de rampen, die alle natien drukken.”
»Wij uiten aan Uwe M. onzen opregten wensch dienaangaande door dezen brief.”
»De lange en bloedige oorlog, die het vasteland doorloopen heeft, is geeindigd, zonder mogelijkheid om hernieuwd te worden.”
»Verscheide veranderingen hebben in Europa plaats gehad; verscheide staten werden verdelgd. Men moet er de oorzaak van zoeken in den staat van onlust en van nooddruft, waarin de stilstand des zeehandels de grootste natien geplaatst heeft. Groote veranderingen kunnen nog plaats grijpen, en dezelven zullen allen tot schade der engelsche natie zijn. De vrede is dus het eenigste belang van Engeland. Wij vereenigen ons, om Uwe M. te smeken de stem des menschdoms gehoor te geven; die der hartstogten te doen zwijgen; te zoeken, met het voornemen er toetekomen, om alle de belangens te vereenigen, en door dit middel alle de thans bestaande mogendheden te behouden, en het geluk van Europa, en van het geslacht, aan welkers hoofd de voorzienigheid ons geplaatst heeft, te verzekeren.”
(Journal de francfort van den 25 van sprokkelm.)
PRUISSEN.
Berlyn den 25 van Sprokkelmaand.
Volgens de van Koningsbergen ingekomen jongste berigten, van den 17den dezer maand, was het met den losdooi van den Weixel nog niet zoo ver gekomen, dat eene veilige overvaart over dezen stroom met zware transporten reeds uitvoerlijk was; uit dien hoofde, gelijk ook wegens de nog aanhoudende onpasselijkheid der Koningin, die wel volstrekt van geen gevaar is, edoch hoogstdezelve het uitgaan, en dus, nog te meer, de reis verhinderde, is er, omtrent den dag des vertreks van den Koning en de Koningin, gelijk ook van hun gevolg, nog niets kunnen bepaald worden. Ook heeft Z. K. H. de prins Augustus, uit hoofde van de onzekerheid van de overvaart over den Weixelstroom, de reis nog niet aangenomen.
OOSTENRYK.
Weenen den 18 van Sprokkelmaand.
Z. Keiz. M. heeft gepasseerden zondag, bij Hoogstdeszelfs verjaardag, op welken dag ook de kroonprins aartshertog Ferdinand, (geboren den 19den van grasmaand 1793,) zijne meerderjarigheid bereikte, eene groote promotie tot luitenants-veldmaarschalken en generaal-majoors gedaan.
WETENSCHAPPEN.
geschiedenis.
Schets van het leven van Appollonius van Thyanes.
(Vierde vervolg.)
Zijnen terugtogt nam hij over zee. De geheele kust, van de monden der Indus af, tot aan de uitwatering der Tiger, in den perzischen zeeboezem, zijnde langs gevaren, trok hij den Euphraat op, en kwam nogmaals te Babijlon; alwaar hij Bardanes nog aan het roer der regering vond, van wien hij hetzelfde onthaal genoot als te voren.
Over Ninive, reisde hij naar Antiochie, van daar naar Seleucie, stak vervolgens naar het eiland Cijprus over, om den tempel van Venus te Paphos te bezigtigen, en vestigde eindelijk zijn verblijf, voor eenigen tijd, in Ioniën.
Aldaar werd hij nu met de grootste eerbewijzingen ontvangen. Steden en volken ijverden om het zeerst om hem hunne bewondering te betuigen; de godspraken zongen zijnen lof; de god der geneeskunst zond hem van Pergamus zijne zieken, om hun te doen genezen, en van toen af, schijnt Apollonius zich indedaad als thaumaturgus, of als iemand die wonderen kon verrigten, te hebben uitgegeven.
Een der vermaardste, van die, welke hem worden nagegeven, in dien tijd te hebben uitgewrocht, is het doen ophouden der pest te Ephezen. Hij had dezelve, zegt zijne historieschrijver, eenigen tijd te voren voorzien; dan de bewoordingen, welke deze hem tot het doen van deze voorspelling in den mond legt, misschien wat duister zijnde, werden door de Ephesers in den wind geslagen. Hier over gramstorig, verliet hij hen, en bezocht de andere steden van Ionien. Welhaast echter werd zijne voorspelling bewaarheid, en de Ephesers, door de pest aangetast, riepen hem te hulp. Hij beloofde hen nog dienzelfden dag de pest te zullen doen ophouden, en deed hen, dien ten gevolge, in den schouwburg bijeenkomen. Aldaar zagen zij een’ ouden lelijken bedelaar, in vodden gekleed, en op eene bijzondere wijze de oogen verdraaijende. »Valt op dezen vijand der goden, riep Apollonius de Ephesers toe, en overdekt hem met steenen.” Verwonderd en gestoord over een zoo onmenschelijk bevel, wilden de Ephesers in het begin geenszins gehoorzamen, maar toen Apollonius op zijn bevel staan bleef, en eenige, alleen uit jok, eenige steenen hadden beginnen te werpen, toen zag men de oogen van den bedelaar flonkeren, en hij begon verschrikkelijke blikken op de menigte te werpen: toen erkende men hem voor den kwaden geest der pest, en wierp hem met zoo vele steenen, dat daarvan een soort van terras, boven op hem, verheven werd. Eenige dagen daar na, wilde Apollonius de Ephesers doen zien, welk dier zij gedood hadden; hij deed de steenen opruimen, en zij vonden, geenszins een mensch, maar een’ zwarten hond, zoo groot als een leeuw, en uit wiens mond, eene menigte schuim voortkwam. De pest hield op, en men rigtte, ter zelfder plaatse, een beeld op, verbeeldende den hond, welke men aan Hercules, aan wien Apollonius de eer der genezing van de Ephesers toeschreef, toewijdde.
Apollonius schreef zelf, in zijne verdediging voor Keizer Domitiaan, waarvan wij hier onder nader zullen spreken, de voorbewustheid van het aankomen der pest geenszins toe aan bovennatuurlijke oorzaken, maar aan zijne eigen zintuigen, welke, zeide hij, door zijne matige levenswijze, en gestrenge onthouding, zoo veel meer verfijnd waren, dan die van anderen; zoo dat hij, eerder dan iemand, vele indrukken gewaar werd, en zaken bemerkte, somtijds voor zij geschied waren. Wat ’er van zij’ wij hebben reeds aangemerkt, dat het onmogelijk is, gevallen, welke zoo lang geleden zijn, en welker geloofwaardigheid alleen berust op de getuigenis van een schrijver als Philostrates, die nog daarenboven ettelijke honderd jaren, na dat dezelve zijn voorgevallen, heeft geleefd, te beoordeelen; maar durven evenwel aanmerken, dat dezelve, zoo als de heer Crevier zulks schijnt te gelooven, geenszins voor toverij of duivelskunsten zijn aantezien.
Thans hield Apollonius zich ook van tijd tot tijd met het duivelbannen en bezweeren van booze geesten bezig. Onder anderen dwong hij eene vrouw, met welke een zijner leerlingen, Menippus genaamd, op het punt stond te trouwen, te bekennen, dat zij eene Empusa [1] was, en dat zij zijnen leerling, welke zij ep alle mogelijke wijze liefkoosde, en voor wiens oogen zij zeer bemiddeld scheen, slechts zocht, te trouwen, om hem vet te mesten, en zich daar na op zijn vleesch en bloed te vergasten.
In Griekenland, werwaards hij nu getrokken was, hield hij zich eenen zeer langen tijd op; hij woonde alle de feesten en schouwspelen bij, en bezocht de vermaardste tempels; overal den hervormer vertoonende. Te Athenen weigerde de hierophant hem in de geheimnissen van de eleusinische Ceres intewijden, verklarende, dat hij geenszins eenen bedrieger zoude heiligen, die, aangaande den eeredienst der goden, niet behoorlijk dacht. Apollonius, geenszins hier mede verlegen, antwoordde terstond: »Gij hebt de grootste mijner misdaden vergeten te melden; en deze is, dat ik meer van die geheimnissen weet, dan gij, die er de priester van zijt.” De priester ontroerd, door den hoogen toon, welken Apollonius tegen hem aannam, werd handelbaarder, en bood eindelijk aan, hem intewijden. »Neen, antwoordde deze; gij zult zulks geenszins doen, maar uw’ opvolger,” en de zaak viel ook zoodanig uit.
Na vervolgens een keer naar het eiland Creta te hebben gedaan, nam hij voor naar Rome te gaan. In dien tijd regeerde Nero, welke geenszins een vriend der wijsgeeren was: dan alhoewel alle zijne vrienden hem die reis afrieden, hem het gevaar dier onderneming voor oogen stellende, bleef hij standvastig, zeggende: »dat, na zoo vele wilde dieren in de woestenijen van Arabien en Indie te hebben gezien, hij wel eens een tijran wilde bezigtigen, en beproeven of die ook verscheiden hoofden, scherpe nagels en sterke tanden had.” De vrees maakte echter meer indruk op zijne discipelen, welke hem allen, op acht na, verlieten, en schijnt, des niettegenstaande, ook op onzen wijsgeer zijne werking te hebben gedaan; want in Rome zijnde, kwam er een man aan zijne herberg, die zich eene broodwinning bezorgde door de verzen van Nero optesnijen; en ieder, die niet opgetogen van verwondering scheen, of den zanger niet wel betaalde, werd schuldig aan gekweste majesteit. Apollonius en zijn gezelschap hoorden nu dezen man vrij onverschillig aan, die dus niet naliet hen ten eerste van oneerbiedigheid, jegens den vorst, te beschuldigen. De wijsgeer scheen niet geroerd door deze bedreigingen, maar liet echter niet na den muzijkant ruim te
- ↑ Een schaduwbeeld van verhitte inbeelding, welke hare lekkernij stelt in het eten van menschen-vleesch: om aan hetwelk te geraken zij alles in het werk stellen, om, vooral jonge lieden, in hun net te lokken, dewijl het hen niet geoorloofd is hunne lust te verzaden zonder het voorwerp derzelve te verstrikken en te betooveren. Door het geheele oosten heerscht nog heden het geloof aan dergelijke spoken.