van 60 jaren, die altoos aan het hoofd der legers gestaan, altoos in het bewind gezeten had, zich vermoeijen zoude met de raadgevingen van wijsgeeren, over de wijze van zijn bestuur, interoepen.
Als men echter, van den anderen kant, in het oog houd, hoe lang Vespasianus had geaarzeld, aleer hij zich door zijn leger tot Keizer deed uitroepen; hoe onzeker hem de onderneming, tot op het oogenblik der totale ondergang van Vitellius voorkwam; als men bedenkt, hoe de ouden geheel anders over den raad der wijsgeeren dachten, dan de latere vorsten; hoe Pericles zich door Anaxagoras deed onderrigten; hoe Dion van Syrakuse zich naar de voorschriften van den grooten Plato gedroeg, en, om van meer voorbeelden te zwijgen, hoe de beroemde Scipio, de verwoester van Carthago en Numantie, altoos den wijsgeer Panetius aan zijne zijde had; dan komt het niet ongelofelijk voor, dat Vespasianus overal goede raadgevingen en versterking in zijn voornemen hebbe gezocht; dan is het niet onmogelijk, dat hij die, eerder bij beroemde wijsgeeren, dan bij andere lieden, gezocht hebbe, en dan vervalt het onwaarschijnlijke van het voorval, vooral, indien men de versierselen, die er het vernuft van Damis, van Philostrates en misschien van Apollonius zelve, zoo wel hier als bij zijne overige levensvoorvallen, heeft bijgevoegd, daar aftrekt.
Wat, voor het overige, de bekwaamheid dezer wijsgeeren aangaat, kan men zeggen, dat Dio Chrysostomus zeer beroemd is geweest[1]. Plinius geeft van Euphrates eene zeer loffelijke getuigenis[2], en wij vertrouwen reeds genoeg van onzen Apollonius gezegd te hebben, om den lezer te doen bemerken, dat het hem geenszins aan bekwaamheid, om een dorp te regeeren, zoude hebben ontbroken.
Ook schijnt Vespasianus over deze te zamenkomst zeer wel voldaan geweest te zijn; want, na dat dezelve was afgeloopen, wilde hij de drie wijsgeeren vorstelijk beloonen. Apollonius wilde niets. Dio verzocht en verkreeg het afscheid van een’ jongman, die de wijsbegeerte voor de wapens had verlaten, en die nu genegenheid gevoelde, om tot zijn eerst beroep terugtekeeren. Maar Euphrates vroeg geld voor zich en voor zijne vrienden: hetwelk hem, van de zijde van Apollonius, dit bits verwijt op den hals haalde: »hoe kondt gij de democratie den Keizer aanraden, daar gij zoo vele dingen te vra»en had.”
Reeds te voren had Euphrates onzen held, in het bijzijn van Vespasianus, aangevallen. »Bemin en omhels, zeide hij tot hem, de natuurlijke wijsbegeerte. Maar verwerp hen, die zich voor tolken der goden uitgeven; want zij boezemen ons eene ijdele hoogmoed in, en geven ons valsche en dwaze denkbeelden wegens de goden.”
Deze wederzijdsche verwijten deden welhaast de reeds niet te goede verstandhouding der twee wijsgeeren tot eenen bitteren haat overslaan. Wanneer dergelijke lieden kijven, zegt de heer Bayle: »brengen zij vele geheimen aan den dag.” En ook hier aan ontbrak het niet. Euphrates schreef tegen Apollonius een bundel satijren, die voor ons verloren zijn; maar waarin hij niet naliet hem voor een kwakzalver, windbreker, leugenaar en bedrieger uittemaken. De ander bleef hem niet schuldig, en in brieven, die ons van Apollonius overig zijn gebleven, verwijt hij hem zijne hebzucht en kwade zeden, ja, hij ligt hem zelf eenige misdaden te late. Beide hadden het misschien hierin niet verre mis; maar het geen onvergeeflijk en ten hoogsten laaghartig van Euphrates was, is, dat hij, niet te vrede met zijnen mededinger, bij de gijmnosophisten, door zijne lasteringen, een slecht onthaal te hebben bezorgd, eindelijk, zich tot beschuldiger van zijnen voormaligen vriend, bij Domitianus, opwierp. Van welke een en ander wij straks zullen spreken. (Het vervolg hierna.)
ZEETIJDINGEN.
Den 5den van lentemaand, in Texel niets gepasseerd; de wind N. N. O.
Den 4den, in ’t Vlie niets gepasseerd; de wind Z. W.
Den 3den, op Westterschelling niets gepasseerd; de wind Z. O.
MINISTERIE van BINNENLANDSCHE ZAKEN.
⁂De minister van binnenlandsche zaken van het koningrijk brengt, hier mede, ter kennisse van een ieder, wien zulks zoude mogen aangaan, dat, op deszelfs nadere approbatie, door den inspecteur in het achtste district van den waterstaat des rijks, C. L. Brunings, op dingsdag den 14den van lentemaand 1809, ’s morgens ten tien uren, ten huize van de weduwe Weisweiler, te Waalwijk, zal aanbesteed worden:
Het wederom leggen der zomersluiting in den baartwijkschen Overlaat, met den aankleve van dien, als op:
| Dingsdag | den | 7den | van lentemaand 1809. |
| Donderdag | 9den | ||
| Zaturdag | 11den | ||
| Maandag | 13den |
De bestekken liggen ter lezinge in de stad Heusden, bij de Bont, en te Waalwijk, bij de weduwe Weisweiler voornoemd; de aanwijzing wordt door de directie in loco gedaan.
⁂ De commissie tot het examineeren der veeartsen adverteert, bij deze, aan alle de daarbij belanghebbenden, met erinnering tevens aan de meermalen te voren gedane advertentien, dat zij hare werkzaamheden nogmaals zal hervatten op den 20sten van lentemaand aanstaande; kunnende mitsdien die genen, welke begeeren geëxamineerd te zijn, zich adresseren aan den voorzitter der commissie, den staatsraad en hoogleeraar S. J. Bragmans, te Leyden.
| Leyden, den 23sten van sprokkelmaand 1809. |
Uit naam der voorsz. commissie, D. Heilbron Cz., fungerend secretaris, woonachtig te Amsterdam. |
MINISTERIE van OORLOG.
⁂ De gebroeders van Cleef, boekverkoopers van den Koning en der koninklijke bibliotheek, te Amsterdam en in den Haag, bebben, op last van zijne excellentie den minister van oorlog, ten dienste van de koninklijke hollandsche armee gedrukt, en aan hunne correspondenten verzonden:
1. Journal militair, bevattende de besluiten, decreten en orders, de landmagt betreffende; eerste, tweede en derde stuk, uitmakende het jaar 1806, en de zes eerste maanden van het jaar 1808; dit werk zal regulier vervolgd worden.
2. Reglement op den velddienst voor de infanterie; à 52 stuivers.
3. Reglement op den inwendigen dienst, de politie en de krijgstucht; voor de infanterie; à 25 stuivers.
4. Het zelfde werkje voor de kavallerie; à 36 stuivers.
5. Reglement op de monsteringen, administratie, soldij en verantwoording der landmagt, met alle de daarbij behoorende tabellen, groot 8o., om bij het formaat der andere militaire werken gevoegd te kunnen worden; à 44 st.
6. De platen, met de hollandsche uitlegging van dezelve, voor de exercitie-reglementen van de infanterie en de kavallerie.
7. Dagelijksch-handboek voor onder-officieren en soldaten; à 11 stuivers.
8. Bijzonder onderwijs in de handgrepen te paard, zoodanig als dezelve volgens het reglement voor de kavallerie, bij het keizerlijke leerschool te Versailles, onderwezen worden; à 15 stuivers.
9. Onderrigt voor de ligte troepen en de officieren; welke op de voorposten dienen, ontworpen volgens het voorschrift van Frederik den II voor zijne officieren der kavallerie; à 28 stuivers.
10. Onderrigt voor de onder-officieren en de manschappen der ligte troepen, welke zich op de voorposten bevinden; à 3 stuivers.
11. Naamregister der officieren van ’s Konings armee, over den jare 1808; à 25 stuivers.
Bij dezelve zijn verder alle de fransche militaire zoo exercitie- als administratie-reglementen, volgens eene daarvan gedrukte catalogus, voorhanden.
MINISTERIE van JUSTITIE en POLITIE.
⁂ De gebroeders van Cleef, ’s Konings boekverkoopers, te Amsterdam en in den Haag, hebben, van maandag den 27sten van sprokkelmaand tot zaturdag den 4den van lentemaand 1809, voor de koninklijke bibliotheek en het ministerie van justitie en politie, ontvangen drie exemplaren van ieder der navolgende uitgekomen werken:
Elisabeth, of de edele ballingen, door mevrouw Cottin, groot 8o.; te Leyden, bij J. van Thoir.
De Avondstond, tooneelspel, klein 8o.; bij denzelfden.
De Geschiedkundige beschrijving, en zeer uitvoerige kaart der overstrooming in het koningrijk Holland; te Amsterdam, bij E. Maaskamp.
Prijs-courant det effecten voor het jaar 1808, in folio; te Amsterdam, bij N. Cotray.
Teksten, gepredikt binnen Haarlem, op den dank- en bededag, in 4o.; te Haarlem, bij F. Bohn.
Allereerste beginselen der aardrijkskunde, klein 8o.; bij denzelfden:
Ter gedachtenisse van den gehuchten storm en watervloed; in ’t jaar 1809; te Dordregt, bij E. Bonte.
Paehlig, Redevoering over de beoefening der regtsgeleerdheid, enz.; te Groningen, bij Kamerling.
Hujeland, Aard, beloop, toevallen en genezing der zenuwkoortsen, enz.; te Amsterdam en Groningen, bij van Es en Eekhoff.
Coriolan, melodrame en trois actes; ee Amsterdam; bij Termeulen en Breeman.
Korte aardrijkskundige beschrijving van het koningrijk Holland, 2de deel; te Amsterdam, bij J. R. Poster.
Mecima, De doorbraken en watervloeden in 1809; te Utrecht, bij de wed. J. van Terveen en zoon.
De menschlievendheid, aan mijne ongelukkige landgenooten; te Amsterdam, bij de wed. J. F. van Tetroode.
Gepredikte teksten op den dank- en bededag in 1809; te Utrecht, bij Kemink.
Regerings-almanak voor het departement Groningen, van 1809; te Groningen, bij Kamerling.
Spiegel der godsdienstige verlichting; te Amsterdam, bij Saakes.
Aanspraak van den bisschop van Palencia, aan zijne geloofsgenooten, bij denzelfden.
Maand- en Week-Bladen.
Vaderlandsche bibliotheek, no. 2 en 3.
Algemeene vaderlandsche letteroefening, no. 2.
Nieuw maandschrift: tot nut van ’t algemeen, 1808, no. 32, en 1809, no. 1 en 2.
De leerzame en boertige opmerker, no. 1.
Lijst van nieuw uitgekomen boeken, in sprokkelmaand.
De recensent ook der recensenten, 4de deel, no. 1.
Amsterdamsche mercurius, 4de deel, 2de stuk.
Magazijn van vaderlandsche landbouw, 5de deel, 1ste stuk.
Voor schoolonderwijzers, 2de deel, 2de stukje.
Bijdragen, betrekkelijk den staat van het schoolwezen, 9de deel, 2de stuk.
Amstels schouwtooneel, no. 51 en 52.
Algemeene konst- en letter-bode, no. 9.
De bijenkorf, 2de deel, no. 43.
De held der rede, no. 308.
Schiedamsche courant, no. 25, 26 en 27.
⁂ Alle de genen, die vermeenen eenige aktie of pretentie te hebben ten laste van den insolvent geabandonneerden boedel van Cornelis Paelvast en Cornelia Storm, echtelieden, wonende binnen de stad Vlaardingen, gelieven hunne sustenuen, pretentien of eischen van preferentie, met de verificatien van dien, ter secretarij van Vlaardingen voornoemd, overteleveren, vóór of uiterlijk op den 10den van grasmaand 1809, op pœne, dat, op den 17den daaraanvolgenden, bij vonnisse van preferentie en concurrentie, (waarbij door schepenen over ’t saldo van gemelden boedel zal worden gedisponeerd,) als dan tegen de achtergeblevenen zal worden verleend default, met het profijt van dien, als naar regten. Dus zij een ieder belanghebbende gewaarschouwd, deszelfs pretentie, vóór den gemelden 10den van grasmaand 1809, inteleveren, als zullende na dien tijd geene pretentien, hoe ook genaamd, worden aangenomen.
⁂ Wijle Jacobus Frijthof, gewoond hebbende binnen de stad Breda, en aldaar, op den 14den van louwmaand 1809, overleden, heeft bij zijne testamentaire dispositie, den 1sten dito, voor den notaris J. F. Mirandolle aldaar gepasseerd, tot zijnen mede erfgenaam, voor eene vijfde part, geïnstitueerd zijnen neef ...... van Rijnen, gewoond hebbende te Hoorn, zoon van Evert van Rijnen, welke laatstgemelde is gehuwd geweest met eene dochter van zijn testateurs moeije, Maria Frijthof, genaamd Pieternella Meekel; en, bij overlijden van denzelven ...... van Rijnen, zijn wettige kinderen en descendenten, bij representatie, met bepaling; dat, om te ontdekken of gemelde ...... van Rijnen in leven is, of wettige descendenten nagelaten heeft, denzelven, of zijne descendenten, bij drie advertissementen, in twee couranten te plaatsen, moeten opgeroepen worden, om zich ten serfhuize van hem Jacobus Frijthof aantemelden; en, ingevalle denzelven ...... van Rijnen, of zijne descendenten, zich als dan, binnen een jaar na het overlijden van hem Jacobus Frijthof, niet ten zijnen sterfhuize of aan den executeur in zijne nalatenschap (gemelde notaris J. F. Mirandolle), heeft of hebben aangemeld of bekend gemaakt, zijne erfportie dadelijk in vollen vrijen eigendom zal vervallen aan zijn testateurs verdere geïnstitueerde erfgenamen.
En wordt mitsdien alnu denzelven ...... van Rijnen of zijne nagelaten wettige descendenten, daarvan, bij deze, voor de eerste maal, kennis gegeven, en opgeroepen, om zich, binnen de hier voor bepaalden tijd en ten plaatse voorschreve, aantemelden en bekend te maken.
⁂ Openbare verkooping in den dorpe Kethel, op vrijdag den 10den van lentemaand 1809, des avonds ten 6 ure precies, van eene extra welgeconditioneerde en aangenaam gesitueerde bouwmanswoninge, koestallingen, varkenschuren, wagenschuur, hooibergen, boomgaard erf en werf, met de daar aan gehoorende extra schoone wei- en hooilanden, te zamen verongeldende voor 23 morgen en 150 roeden, gelegen in Noord-Kethel en Harg-Polder,