Naar inhoud springen

Pagina:Koninklijke Courant 1809 no 057.pdf/2

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

»De belasting, die op den geestelijkheid is gelegd, zal ten laatsten in den loop van deze maand moeten betaald zijn.”

»De belastingen te Madrid en in de provintien moeten in zes maanden, bij drie termijnen, worden afgedaan.”

(Journal de l’empire van den 1 van lentem.)

TURKYE.

Konstantinopolen den 20 van Louwmaand.

Een engelsch fregat en brik kwamen, den 29sten van herfstmaand ll., als parlementairen, voor de Dardanellen. De heer Adair was aan boord van een dezer vaartuigen. Hij deed zijn’ tolk ontschepen, en zond hem naar Konstantinopolen, om vredesvoorslagen te doen. De onderhandelingen hiertoe werden geopend tusschen den heer Adair en Wahib-effendi, door de Porte naar de Dardadellen gezonden, onder schijn, van den staat der vestingwwerken van de Straat van Tenedos in oogenschouw te nemen. De stappen van wederzijds gedaan werden in den beginne met veel geheimhouding aangevangen. Men scheen enkel oplettendheden voor elkander te willen toonen. Wahib--effendi bepaalde zich tot het aanhooren van de voorslagen des engelschen onderhandelaars, en het bekend maken van dezelve aan zijn gouvernement. Alleenlijk, merkte men op, als een begin van verstandhouding, of als een middel van verleiding van de engelsche zijde, dat de kruisers de ottomannische vaartuigen niet meer aanhielden.

De omwenteling van den 16den van slagtmaand ll. te Konstantinopolen bragt geene verhindering toe aan de aangevangene onderhandelingen. De neiging van het ottomannisch gouvernement was onzeker; het herinnerde zich nog, hoe noodlottig de vriendschap van Engeland aan deszelfs bondgenooten geweest was; het behield het gevoel van den herhaalden hoon, dien hetzelve daarvan geleden had, en het aandenken aan de beschimping, welke de Engelschen onder de muren van het serail hebben moeten lijden, ondersteunden den moed der ministers van de Porte; maar veel meer dan dit alles, de vrees, om Frankrijk tegen hen intenemen, verwijderde hen, om met Engeland te onderhandelen; want, zij gevoelden wel, dat het met Turkije gedaan is, indien het de bescherming van den Keizer Napoleon verliest; en voorzagen dus, dat de minste verstandhouding met Engeland den val van hun waggelend rijk zoude voltooijen. In deze omstandigheden, zijn de listen en het goud der Engelschen langen tijd nutteloos geweest; maar de heer Sturmer, internuntius van Oostenrijk, ondersteunde dezelve met eenen bijzonderen ijver. Hij zegde, in het openbaar, dat zijn hof den vrede wilde onderhouden; terwijl hij, in zijne geheime zamenkomsten, verzekerde, dat hetzelve den oorlog aan Frankrijk zoude verklaren, en dat dit rijk, te gelijker tijd, door Oostenrijk, Spanje en Engeland aangevallen, aan de Porte niet zoude kunnen schaden noch ondersteunen. Zijn geweldige en driftige taal zoude naauwlijks verschoonbaar geweest zijn, indien zijn souverein met Frankrijk en Rusland in oorlog had geveest; en dezelve was geheel en al onbegrijpelijk in den mond van den minister eener mogendheid, welke in vriendschap leeft met de beide keizerlijke hoven; die zelfs alle gemeenschap met Engeland heeft verbroken, en uit hare staten den heer Adair weggezonden heeft. Het is waar, dat, toen de Turken er hem de aanmerking van deden, de internuntius beweerde, dat zijn hof voor het oogenblik had moeten toegeven aan de omstandigheden, wanneer de fransche legers de oostenrijksche provintien omringden; maar dat thans de tegenspoeden, welke Frankrijk in Spanje ondervonden had, toelieten eenen anderen gang te houden; en dat overigens de scheiding met Engeland nooit dan in schijn bestaan heeft, dewijl de Engelschen altijd te Triëst zijn blijven handelen, en dat hun consul te Malta, bij voortduring paspoorten aan oostenrijksche vaartuigen had afgeleverd. De internuntius voegde hier nog bij, dat de Russen de natuurlijke vijanden van de Porte waren, en dat de Ottomannen veel meer in staat zouden zijn hen wederstand te bieden, wanneer, de vrede met Engeland gesloten zijnde, de engelsche vloten den Bosphorus konde doorstevenen, om de Krim te attakkeren. Maar, antwoordden de Turken, zoo wij iets ondernemen strijdig met de belangen van den grooten Keizer, onzen bondgenoot, zullen wij geenen steun meer hebben op het vaste land. Het natuurlijk verstand van deze Turken behield ter dier tijd de overhand over het engelsch goud, de listen en de woede van den internuntius. Ook waren, gedurende drie maanden, de engelsche onderhandelingen vruchteloos de heer Adair maakte zich gereed, te vertrekken, wanneer de verschijning van een engelsch eskader deze laffe en kleingeestige menschen zoodanigen schrik aanjoeg, dat zij, in hunnen angst, zich in de armen van den internuntius en van de engelsche agenten wierpen. De vijanden van Frankrijk en Rusland verdubbelden hunne pogingen en listen, en den 13den van louwmaand verklaarde de Porte, dat zij besloten had den vrede met Engeland te sluiten. Deze vrede was wezenlijk, eenige dagen te voren, reeds geteekend.

De internuntius, moedig op zijne overwinning, behield zelfs het uiterlijke niet, en liet eenen vrijen loop aan zijne gevoelens, met die vervoering van vreugde, die de drift kenschetst. Hij, overlaadde de Engelschen, welke zich reeds te Konstantinopolen bevonden, met beleefdheden, als ook die genen, welke den heer Adair voorafgingen. Hij gaf een openbaar feest, waarop hij alle engelsche onderdanen noodigde, zelfs dezulke, welke de welvoeglijkheid en de waardigheid van zijnen stand hem niet veroorloofden er bij toetelaten. De zaak-gelastigde van Frankrijk, die van Denemarken, van Spanje en van Saxe, verontwaardigd over zulk een vijandelijk gedrag, verklaarden aan den internuntius, dat zij zijn feest niet konden bijwonen. De Franken van Pera, gelijkelijk verontwaardigd, weigerden om er zich te laten vinden. Men zag vrouwen, welke slechts achter-klein-dochters van Franschen waren, en welke niet meer onder de onmiddelijke bescherming van den franschen minister stonden, zich haren oorsprong te binnen brengen, en met verontwaardiging weigeren deeltenemen in een feest, bestemd om den triumph van de vijanden des vasten lands te vieren.

De verontwaardiging der Franschen Werd door de Russen gedeeld. De generaals van het leger van Moldavie hebben alle gemeenschap met de Turken geweigerd, en er zijn bevelen uitgevaardigd, om de bewegingen van de russische divisien, welke naar de grenzen van Turkije op weg zijn, te verhaasten.

(Moniteur van den 3 van lentem.)


WETENSCHAPPEN.

geschiedenis.

Schets van het leven van Apollonius van Thyanes.

(Zesde vervolg.)

Vooraf echter willen wij, met korte woorden, het geen verders, in den omgang van onzen wijsgeer met Vespasianus en met zijnen kort geregeerd hebbende opvolger Titus, merkwaardigs voorkomt, zoo als ook zijne reize naar Ethiopie, afhandelen.

Vespasianus, die, gedurende zijn verblijf in Alexandrie, bijna dagelijks met den wijsgeer had omgegaan, wilde hem ook mede naar Rome voeren; maar hier toe wilde de wijsgeer, wiens voornemen was den oorsprong der Nyl en de Gymnosophisten te gaan bezoeken, geenszins verstaan. Bij het scheiden, zeide hem de Keizer: »zult gij u wel onzer herinneren?” »Ja, hernam Apollonius, indien gij in het goede volhard, en aan zelven gedachtig zijt.” En hierin hield hij ook woord; want nimmer kon hij Vespasianus vergeven, dat hij den Grieken de vrijheid had ontnomen, en weigerde volstandig, niettegenstaande de onophoudelijke aanzoeken des Keizers, te Rome te komen. Hij schreef den Keizer verscheiden brieven, allen in eeneu zeer gedrongen stijl; in den eenen, vergeleek hij denzelven bij Xerxes, die Griekenland had willen ten onder brengen; in eenen anderen, stelde hij hem beneden Nero, dewijl deze den Grieken de vrijheid had geschonken, en de derde was vervat in de volgende weinige woorden; »dewijl gij zoo zeer den vijand der Grieken zijt, dat gij hen tot slaven vernedert, waartoe dient u dan mijn ommegang?”

Die van Tarsis aan Titus een verzoekschrift hebbende evergeleverd over een onderwerp, waarvan bijna hun wel- of kwalijkzijn afhing, antwoordde hem Titus, dat hij om die zaak zoude denken, als hij te Rome zoude zijn, en zich zelf bij zijn’ vader, daar voor in de bres zoude stellen. Dit antwoord, alhoewel ten hoogsten verpligtend, voldeed geenszins aan Apollonius. »Bijaldien ik, zeide deze, eenige van die lieden beschuldigde, dat zij tegen u of tegen het rijk kwaad smeedden dat zij met de in Jerusalem opgesloten Joden in verstandhouding stonden; welk eene behandeling zoud gij hen doen?” »Ik zoude ze op het oogenblik doen straffen,” antwoordde de vorst, »Welnu, hernam de wijsgeer, is het niet schandelijk op het oogenblik zijne wraak te voldoen; is het niet slecht, dat gij op u zoud nemen hen te dtraffen, en geenszins hen weldaden te bewijzen?” Titus, aangedaan door deze woorden, voldeed aan het verzoek van die van Tarsis.

Deze waarlijk edele en moedige daad, bedierf hij, aan den anderen kant, door eene vrij belagchelijke snorkerij: want als hij, ook Titus, naar Rome niet wilde vergezellen, beval hij hem Demetrius den Cynicus, in zijne plaats, aan, en schreef aan dien de volgende woorden: »Ik geef u aan den Keizer Titus tot meester, ten einde gij hem zoud onderwijzen, op welke wijze hij behoort te regeren.” De lezer bemerkt in onzen held zeer veel edelaardigheid; maar ook eene verregaande windbrekerij: want alhoewel er aan de waarheid van dit laatste voorval met reden wordt getwijfeld, alzoo het volstandig is, dat Demetrius, uit hoofde zijner onbeschaamdheid, reeds door Vespasianus uit Rome was verbannen, zoo is niettemin eene dergelijke dwaasheid in Apollonius niet onmogelijk. Maar laat ons tot zijne reize naar Ethiopie overgaan:

Met tien zijner discipelen, deed hij deze reis, dan eens den Nyl opvarende, dan eens zijnen weg over land nemende, en bezocht, volgens zijne gewoonte, alle de tempelen, alle gestichten en vermaarde plaatsen. In eene der steden van Opper-Egypte vond hij een’ leeuw, welke zoodanig tam was gemaakt, dat hij zich niet alleen geredelijk door zijnen meester liet regeren, maar zelfs ieder een, die hem naderde, streelde. Overal liet men dit dier vrij inkomen; hetzelve had geenszins den wreden aard der leeuwen; hij at geen vleesch, dan wanneer het gekookt was, en vergenoegde zich met koek, vruchten, groenten, enz. Dit dier vleide Apollonius op eene bijzondere wijze, en waarna eenige voorkeur scheen doortestralen. »Weet gij, zeide de wijsgeer, wat dit dier van mij wil? Hetzelve wenscht, dat ik albekend make, dat de ziel van Amasis, een ouden Koning van Egypte in hem gevaren is.” De leeuw, deze woorden hoorende, begon op eene beklagelijke wijze te brullen, hij viel op zijne knieën en stortte tranen. »Gij siet het, zeide Apollonius.” »Het is nuet regtvaardig, dat een zoo edel dier zijn kost moet bedelen. Voert betzelve naar Leontopolis en doet het is de tempelen van die stad voeden.” Gemakkelijk haalde hij de Egyptenaars, gezworen vrienden van alle gedierten, hiertoe over, en de leidsman des leeuw, had het ongenoegen zich zijne broodwinning ontnomen te zien; zoo anderzins, hij zich niet beter met Apollonius verstond, dan de Egyptenaren wel dachten.

In Ethiopie vond hij een satijr, welken hij beter maakte door hem wijn te drinken te geven. Philostrates schijnt geloof aan de satyrs te hechten; want hij heeft in het eiland Lemnos den