Naar inhoud springen

Pagina:Koninklijke Courant 1809 no 059.pdf/2

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wet van den 24sten december 1807, alle niet reeds ingezonden pretentien ten laste van het ministerie van binnenlandsche zaken, waaronder thans ook is begrepen de generale directie van den waterstaat, voor den dienst van het jaar 1808, op pœne van nulliteit, vóór den 1sten april 1809, bij hetselve ministerie moeten zijn opgegeven; dat wijders die pretentien behooren te zijn vervat in rekeningen of declaratien, voorzien van duplicaten, en de vereischte attestatien nopens derzelver deugdelijkheid.

Amsterdam,
den 12den januarij 1809.
De minister voornoemd,
A. P. Twent.

De minister van justitie en politie herinnert, hier mede, allen de genen, welke eenige pretentien, over den jare 1808, ten laste van deszelfs ministerie en de koninklijke drukkerij mogten hebben, en daarvan tot nu toe geene opgave hebben gedaan, deze hunne pretentien, gebragt op behoorlijke gespecificeerde declaratien, voorzien van duplicaten, en gemuniceerd met de noodige verificatoire bescheiden, als nog, uiterlijk vóór den 1sten van grasmaand aanstaanden, intezenden, namelijk, die wegens kosten van justitie, aan de respective landdrosten in de departementen, en de overige, aan het ministerie van justitie en politie zelve; zullende alle zoodanige pretentien over den jare 1808, waarvan vóór den 1sten van grasmaand dezes jaars, invoegen voorschreven, geene behoorlijke opgave zal zijn gedaan, volgens de wet van den 21sten december 1807, gehouden worden voor vernietigd, zonder bij vervolg te kunnen worden geadmitteerd of erkend.

Amsterdam, den 13den
van sprokkelmaand 1809.
De minister voornoemd,
C. F. van Maanen.


De directeur-generaal der wetenschappen en kunsten brengt, hiermede, ter kennis van de daarbij belanghebbenden, dat, ingevolge het decreet van Z. M., van den 21sten december 1807, allen voor den 1sten van grasmaand dezes jaars 1809 niet ingebonden pretentien, ten laste van de groote koninklijke bibliotheek, het koninklijk museum, en het geen verder tot zijn departement zoude kunnen behooren, voor den dienst van den jare 1808, zullen worden gehouden voor vernietigd, zonder in het vervolg te kunnen worden geadmitteerd en erkend; dat, wijders, die pretentien behooren te zijn vervat in rekeningen of declaratien, voorzien van duplicaten en de vereischte attestatien, nopens derzelver deugdelijkheid.

De directeur-generaal, voornoemd,
J. Meerman.


De directie der mijdrechtsche droogmakerij zal, op nadere approbatie van den minister van binnenlandsche zaken, den 16den van lentemaand dezes jaars, in het regthuis van Thamen, aan den Amstel, publiek aan den minsteisschenden aanbesteden, het drie jarig onderhoud van de watermolens en verdere timmer- en metselwerken; mitsgaders, het onderhonden van de zeilen der voorn. molens in gemelde droogmakerij.
De voorsz. besteding zal geschieden in drie percelen; waarvan de bestekken zullen ter lezing liggen, in het regthuis voornoemd; in het regthuis van den Uithoorn; mitsgaders: te Amsterdam, in den ijsbreker, aan de weesper-zijde; te Ouderkerk, in paardenburg; te Abkoude, bij Voogd; te Nieuwersluis, bij Spinhoven; te Nieuwveen, in het regthuis; te Nieuwkoop, bij Koperdraad; te Alphen, in de star; te Leyden, bij van der Spek, aan de wittepoort; te Gouda, in den zalm; te Woerden, in de stadsherberg, en te Utrecht, in den witten-engel, buiten de tolsteegpoort. Nadere informatie, bij de opzienders in loco te bekomen.

BEYEREN.

Augsburg den 26 van Sprokkelmaand.

De graaf van Strogonof, russisch ambassadeur in Spanje, is gister, met alle de personen die tot zijn gezantschap behooren, alhier aangekomen. Z. E. keert naar Madrid terug, om zijne bediening bij Z. M. den Koning Joseph, weder te aanvaarden.

Het corps van den generaal Oudinot, komt bij gedeelten in onze ommestreken aan. Het schijnt, dat hetzelve, zoodra de doortogt door Tyrol gemakkelijker zal zijn, naar Italie zal marcheren; men verneemt, dat aldaar eene groote menigte sneeuw is gevallen.

(Journal de francfort van 5 van lentem.)

WURTEMBERG.

Stuttgard den 27 van Sprokkelmaand.

Sedert den 23sten dezer zijn alhier gepasseerd de heer Nageldinger, kapitein in oostenrijkschen dienst, welke zich van Carlsruhe naar Ulm, de beijersche kolonel von Schonfeld, welke zich van Parijs naar Munchen, de heer Estournet, officier van den franschen état-major, welke zich van Parijs naar Weenen, en de graaf von Mier, officier van den oostenrijkschen état-major, welke zich van Weenen naar Parijs begeven.

Het gouvernement heeft door het geheele koningrijk eene nieuwe ligting van manschap bevolen.

(Journal de francfort van den 3 van lentem.)

DUITSCHLAND.

Frankfort den 4 van Lentemaand.

Gister is alhier een courier vau Wurtemberg aangekomen, en een’ russischen courier, die zich van Parys naar Petersburg begeeft.

(Journal de francfort van den 5 van lentem.)

WETENSCHAPPEN.

geschiedenis.

Schets van het leven van Apollonius van Thyanes.

(Zevende vervolg.)

Eenigen tijd na dat hij in Asie was teruggekeerd, werd hij door Euphrates, voor Domitianus, die toenmaals den keizerlijken troon bekleedde, beschuldigd. De aanklagt was tweeledig: soor eerst, wegens tooverij, en ten tweede, wegens oproer: wegens tooverij, want hij leefde en kleedde zich anders dan andere menschen; hij schroomde niet zich als een’ god te laten aanbidden, en zulks had hij te Ephesen gedaan, toen hij aldaar de pest deed ophouden; wegens oproer, want hij had geheime beraadslagingen met Nerva en andere raadsheeren, dienende tot eene zamenzwering tegen den Keizer, en hij had, ten einde de kennis van het toekomstige en die der middelen, om het ontwerp te doen gelukken, te bekomen, een kind geofferd en deszells ingewanden onderzocht.

De beschuldiging van hoogverraad was geenszins zonder grond; reeds hebben wij kunnen bespeuren, dat hij ommegang met verscheiden aanzienlijke Romeinen had gehad, en dat hij dergelijke vorsten als Nero en Domitianus doodelijk haatte.

Ook ontzag hij zich geenszins openlijk tegen dien Keizer uittevaren, en overal zijne wenschen uitteboezemen, dat men den aardbodem van zulk een gedrocht mogt verlossen. Hoe het zij; de vorst, onderrigt van de kuiperijen, welke men tegen zijn persoon smeedde, maar geen volkomen bewijs hebbende, verbande Nerva naar Tarente en Salvidienus en Rufus, twee andere raadsheeren van eerste huizen, naar de eilanden; en, om zich geheel van de zaak te overtuigen, zondt hij den proconsul van Asie, alwaar zich Apollonius des tijds bevond, bevel, hem te vatten en optezenden.

Deze wist reeds de order, voor dat den proconsul daarvan was verwittigd; Philostrates zegt, door openbaring; maar liever, door middel zijner vrienden in Rome; en oogenblikkelijk begaf hij zich op weg.

Casperius Elianus, toenmaals prefect der praetorianen, was, niettegenstaande hij voor Apollonius, dien hij in Egijpte had gekend, eene hooge achting voedde, ambtshalve, genoodzaakt, hem, zodra hij wist, dat hij in Rome was, in verzekering te doen nemen; maar, door het gezag, hetwelk zijne hooge magt hem verleende, bragt hij den gevangen alle gemak toe, en onderrigtte hem van alle de punten van beschuldiging, mitsgarders van de wijze, hoe hij zich had te gedragen. Het is niet vreemd, dat een gevangen, die de voornaamste in het rijk, na den Keizer, tot medehulp had, dingen kon doen, welke aan vele wonderen moesten toeschijnen.

In de gevangenis leefde hij op zijne gewone wijze; hij sprak met de overige gevangenen, gaf hen wijsgeerige vertroostingen, en onderwees hen den weg, om hunnen staat dragelijker te maken. Ook Damis bleef bestendig bij hem, en voor deze, als ook voor zijne overige vrienden, die hem nu en dan kwamen bezoeken, scheen hij met alle bezig, behalve met zijne netelige zaak, waarmede hij zich weinig het hoofd scheen te breken. Zijne vrienden hem gevraagd hebbende, waarom hij, als daartoe overvloedig gelegenheid hebbende gehad, zich niet met de vlugt gered hadde, gaf hen Apollonius dit waarlijk edel antwoord: »Dan zoude ik mijne vrienden verlaten hebben, voor welke mijne vlugt tot overtuiging zoude zijn aangerekend geworden.”

Domitianus, die gaarne uit hem eenige ophelderingen, aangaande de voornemens van Nerva en andere bovengenoemden, wenschtte te bekomen, ondervroeg hem dienaangaande in het bijzonder. Zie hier het antwoord van Apollonius: »Ik ken Nerva, voor den gematigsten der menschen, voor zachtzinnig en uwen dienst zeer toegedaan; wel zeer geschikt tot het besturen der grootste zaken, maar er het gewigt zoodanig van vreezende, dat hij de eereposten vlied. Ik denk even zoo over Salvidienus en Rufus. Zij zijn noch in staat, om ontwerpen van oproer te vormen, noch om in die van anderen te treden.” De logen waarvan zich alhier Apollonius bediende, om zijne vrienden, niet te verraden, komt ons zeer verschoonlijk, zoo niet edel, voor.

Men begrijpt ligt, dat Domitianus geenszins met dit antwoord te vrede was; ook werd hij ten hoogsten gramstorig, en voer hevig tegen den wijsgeer uit. »Gij bedrieger, gij snorker, gij versmader der wetten, zeide Domitianus, ziet gij mij dan voor een’ lasteraar aan, dewijl gij, lieden, die ik verbannen heb, als onbekwaam aanziet tegen mij te handelen. Maar alle uwe uitvlugten zijn nutteloos: ik ben onderrigt van alle uwe voornemens, en van al het gene tusschen ul. is voorgevallen, even als ware ik daarbij tegenwoordig geweest.” Met eene verwonderlijke koelbloedigheid hernam Apollonius: »Heere, het is schandelijk voor u, om, of dingen te onderzoeken, waarvan gij overtuigd zijt, of u overtuigd te houden van zaken, voor die te hebben onderzocht. Gij zijt ten mijnen opzigte onregtvaardiger, dan den lasteraar, die mij beschuldigd; want, deze zoekt nog slechts u te onderrigten, en gij zijt reeds overtuigd, voor dat, zelf deze, nog gesproken heeft.” De Keizer, nog meer verstoord dan ooit, gaf last, om Apollonius, uit smaad, het haar en den baard aftesnijden, en om hem ketens aan handen en voeten te leggen.

Wegens de order van het scheren, zeide Apollonius: »Ik had niet gedacht, dat mijn haar of baard, bij deze zaak, eenig gevaar zouden loopen;” en toen men hem ketende, voerde hij den Keizer te gemoet: »Hoe zoud gij mij kunnen ketenen, bijaldien ik een toovenaar ware.”

Niettegenstaande het geenszins geraden was, zulke taal tegen