Domitianus te voeren, zoo is het echter niet onmogelijk, dat Apollonius, door zijne beginzelen gedreven, en die, bovendien, in eenen ouderdom van omstreeks 90 jaren, niet meer zoo aan het leven kon gehecht zijn, zulke dingen hebbe gezegd, en dat Domitianus, die, met het heilige voornemen, om hem toch te doen straffen, echter nog hoopte, licht van hem te bekomen, zulks hebbe geduld.
In de gevangenis teruggeleid, kwam er een verspieder van den Keizer bij hem, die, veinsende hem te beklagen, en hem vragende, hoe zijne beenen het knellen der ketenen konden verdragen, van Apollonius tot antwoord kreeg: dat hij daarvan niets wist, want dat zijn’ geest elders was. Den tweeden dag, dat Apollonius in ketenen gesloten was, ondervroeg Damis hem over zijn aanstaand noodlot. »Ik zal niet ter dood gebragt worden,” zeide Apollonius. »En wanneer zult gij uit uwe ketenen ontslagen zijn?” hernam Damis. »Zoo gij mij ondervraagt nopens het bevel, hetwelk tot slaking mijner boeijen gegeven zal worden, dan zal zulks nog dezen dag zijn; maar zoo gij spreekt over het geen van mij afhangt, dan zal het op het oogenblik wezen.” Deze woorden sprekende, trok hij zonder moeite zijne voeten uit de boeijen, en stak er die vervolgens weder in.
De voorzegging werd overigens letterlijk vervuld. Den zelfden dag kwam een officier des Keizers de boeijen, waarin hij nu twee dagen was geweest, slaken, en deed hem in denzelfden staat stellen, welke hij te voren in de gevangenis had genoten. Des anderendaags deed hij Damis vertrekken, zoo als Philostratis zegt, naar het eiland van Calypso, welkers gelegenheid, het is waar, wij, noch iemand, weten; maar genoeg, naar een eiland, digt bij Pouzzola.
Vier dagen daarna bekwam Apollonius gehoor, en zoude zijne zaak, ten aanhoore des Keizers en van alle grooten van Rome, bepleiten. Zeer koel en gerust ging hij voor dien regtbank, en scheen zelfs den Keizer niet te willen aanschouwen. De aanklager, welke zulks opmerkte, drong hem, den god van het heelal aantezien. Apollonius sloeg hierop zijne oogen ten hemel.
Noch beschuldiger, noch beschuldigde, hadden overigens gelegenheid, om van hunne gereed gemaakte pleitgedingen gebruik te kunnen maken. Domitianus, die een bijzonder belang in deze zaak scheen te stellen, ondervroeg hem zelve, over alle de punten van beschuldiging, en de wijsgeer voldeed op ieder derzelve, met een zeer kort antwoord.
Waarom, vroeg de Keizer, onderscheid gij u van de anderen door uwe kleding?” — »De aarde, die mij voed, kleed mij insgelijks, en ik laat de arme dieren met vrede,” was het antwoord van Apollonius. — »Waarom duld gij, dat men u god noemt.” — »Ieder deugdzaam mensch kan met dien titel worden vereerd.” Vervolgens ondervraagt zijnde over het geen te Ephesen was voorgevallen, verantwoordde hij zich, gelijk reeds gezegd is, schreef de eer der genezing aan Herkules toe.
Bleef nu over het laatste punt van beschuldiging, namelijk, zijne verstandhouding met Nerva en andere grooten. Domitianus scheen zelf niet die zaak verlegen te zijn; want, na zich een wijl bedacht te hebben, rigtte hij zijne vraag op de volgende wijze in: »Toen gij op dien zekeren dag uit uw huis ging, en dat gij in het veld waart gekomen, aan wien offerde gij dat kind?” Apollonius antwoorde: »Zoo ik op den dag, die gij mij noemt, uit mijn huis ben gegaan, dan ben ik in het veld gekomen; zoo ik in het veld ben gekomen, heb ik het offer, waarvan gij spreekt, geslagt, en zoo ik dat offer geslagt hebbe, dan heb ik daarvan gegeten. Ik roep alhier het getuigenis van geloofwaardige lieden in.” Deze getuigen waren Telesinus, een raadsheerlijk persoon, twee geneesheeren en 30 hunner discipelen, welke, ten behoeve van Apollonius, verklaarden, dat hij den geheelen opgenoemden dag bij een zijner leerlingen, Philiscus genaamd, had doorgebragt, en dat zijlieden hem aldaar hadden gezien.
Een luid gejuich ging, op dit onwraakbaar getuigenis, in de regtbank op, en de Keizer was, zijns ondanks, verpligt, Apollonius van de beschuldiging vrij te spreken; hij gelastte hem echter, misschien met het voornemen, om hem in stilte te doen omkomen, nog te blijven, tot dat hij een bijzonder gesprek met hem zoude hebben gehouden. »Ik zeg u dank, heere, sprak Apollonius, met eene nog grootere vastheid dan te voren; maar, door de bewerking van guiten, zoo als hij, die mij beschuldigd heeft, zijn geheele steden ten onderste boven gekeerd; de eilanden zijn met verbannenen opgevuld; de provintien in rouw en tranen gedompeld; de legers lafhartig geworden, en den senaat vervuld met wantrouwen en kwade vermoedens. Het is geenszins voor mijn belang, dat ik spreek; ik vrees niets; mijne ziel is uit zijnen aard onkwetsbaar, en het is u zelfs niet gegeven, u meester van mijn ligchaam te maken.” »Neen, voegde hij er bij, de woorden die Achilles, in de Iliade, tot Apollo zegt, uitsprekende:[1] »Neen, gij zult mij niet doen sterven, want het noodlot bevrijd mij voor uwe slagen.” En deze woorden geuit hebbende, verdween hij uit het middel der vergadering, en bevond zich, op hetzelfde oogenblik, te Pouzzola bij Damis.
Wij laten dit mirakel, waar van niemand, dan alleen Philostrates, spreekt, daar, en willen liever gelooven, dat hij, op eene of andere bedekte wijze, met behulp zijner vrienden, de wraak van Domitianus ontsnapt zij’.
- ↑ Iliade XXI, vs. 13.
PUBLIEKE FONDSEN.
De beursprijs van diversche effecten was, op donderdag den 9den van lentemaand 1809, te Amsterdam, als volgt:
Holland.
| Oude obligatien | 2½ | pCt. | 33 | à | 34 |
| Recepissen geforc. negotiatie 1795⁄6 | 2½ | — | 34¼ | à | 34½ |
| Dito vrijwillige negotiatie 1797 | 5 | — | 65 | à | 65½ |
| Dito negotiatie 1804 | 5½ | — | 71¾ | à | 72¼ |
| Obligatien negotiatie 1807 | 6 | — | 101¾ | à | 102¼ |
| 30 jarige renten 1788⁄9 | 5 | — | 79 | à | 80 |
| 20 jarige dito 1804 | 5 | — | 42 | à | 42¼ |
| Nat. schuldbrieven | 2½ | — | 34¾ | à | 35 |
| Nat. schuldbrieven | 3 | — | 39¼ | à | 39¾ |
| Dito losrenten | 2½ | — | 34¼ | à | 34½ |
| — dito | 3 | — | 39¼ | à | 39½ |
| — — 1798⁄9 | 3½ | — | 45 | à | 45½ |
| — — 1801 | 3½ | — | 45 | à | 45½ |
| — domeinen | 4 | — | 78½ | à | 79 |
| — dito 1802 | 5 | — | 65 | à | 65¼ |
| Bat. rescript., losbaar na den vrede | 4 | — | 52½ | à | 53 |
| Certif. negot. 1808 | 7 | — | 90 | à | 90½ |
| Recepissen van dito | 7 | — | 89½ | à | 90 |
Amerikaansche fondsen.
| Bij Stadniski, van 1787 | 6 | pCt. | 209 | à | 211 |
| Bij van Staphorst, van 1789 | 6 | — | 199 | à | 203 |
| Bij Crommelin | 6 | — | 130 | à | 131 |
| Bij van Staphorst, van de 1sten van louwmaand 1791 | 6 | — | 87 | à | 87½ |
| Bij Idem, van den 1sten van grasm. 1791 | 5½ | — | 79½ | à | 80 |
| Bij Idem, van den 1sten van hooim. 1791 | 5½ | pCt. | 77 | à | 77½ |
| Bij Idem, van den 1sten van slagtm. 1791 | 4½ | — | 64½ | à | 65 |
| Bij Idem, van den 1sten van zomerm. 1792 | 4½ | — | 64½ | à | 65 |
| Bij Hope en Comp., C. S. | 5½ | — | 107 | à | 107½ |
| Bij van Staphorst, C. S. | 5½ | — | 102¾ | à | 103¼ |
| certificaten van origin. fondsen. | |||||
| Bij van Staphorst, C. S. | 3 | pCt. | 63 | à | 63½ |
Denemarken.
| Op de kroon, bij Finman | 4 | pCt. | 93 | à | 95 |
| Op de bank, bij Dull | 4 | — | 97¾ | à | 98½ |
| Op de tollen, bij Idem | 4 | — | 89 | à | 96 |
| Aziatische comp., bij Idem | 5 | — | 92½ | à | 93¼ |
Spanje.
| Bij Echenique | 3½ | pCt. | 47 | à | 48 |
| Bij Hope en Comp., van 1805 | 5½ | — | 77½ | à | 78 |
| Bij Hope en Comp., van 1807 | 5½ | — | 70 | à | 70¼ |
Oostenrijksch-keizerlijke.
| Op de weenerbank bij Goll en Comp. | 5 | pCt. | 34¼ | à | 36¼ |
| Dito, bij Idem | 4½ | — | 32½ | à | 33½ |
| Dito, bij Idem | 4 | — | 32½ | à | 33½ |
| Certificaten, bij dito | 5 | — | 29¾ | à | 30½ |
| Rusland, bij Hope en Comp. | 5 | pCt. | 85¼ | à | 85½ |
| Portugal, bij dito | 5 | — | 97¾ | à | 98¼ |
| Napels, bij dito | 6 | — | 92½ | à | 93 |
| Zweden, bij Hogguer en Hasselgreen | 5 | — | 75 | à | 76 |
| Saxen, bij Braunsberg | 5 | — | 103 | à | 103¼ |
| Fransche fondsen | 5 | — | 77¼ | à | 77½ |
| Certificaten van dito, bij Ketwich en Voombergh, van Halmaal en Hagendoorn, en Willem Borski | 5 | pCt. | 77¼ | à | 77½ |
ZEETIJDINGEN.
Den 9den van lentemaand, in Texel niets gepasseerd; de wind N.W.
STERFBERIGTEN.
De graaf Louis van Cobenzel is, in den ochtend van den 22sten van sprokkelmaand, aan de gevolgen van eene kwijnende ziekte, te Weenen overleden. Hij was den 21sten van slagtmaand 1753 te Brussel geboren; werd in 1779 benoemd, om den vrede van Teschen te negotieren, maar werd daarin door eene zware ziekte verhinderd, en het was zijn neef, de graaf Philipvan Cobenzel, die denzelven, den 8sten van bloeimaand, heeft gesloten. In wijnmaand 1779 werd den graaf Louis, in hoedanigheid als gezant, na Petersburg gezonden. Na de preliminairen, die te Leoben gesloten werden, kwam hij te Weenen. Den 17den van wijnmaand 1797 negotieerde hij het traktaat van Campo-Formio; vervolgens, in de daarop volgende wintermaand, te Rastad eene militaire overeenkomst met den tegenwoordigen franschen Keizer. In 1798, keerde hij, na de conferentien van Selz, naar Petersburg terug. Den 9den van sprokkelmaand 1801 sloot hij den vrede van Luneville met Joseph Bonaparte, thans Koning van Spanje. In herfstmaand van hetzelfde jaar nam hij de plaats in van minister van staat en der conferentien, welke hem reeds te voren was toegeschikt, zoo als ook die van vice-kanselier van staat, van het departement van buitenlandsche zaken. Hij vroeg en bekwam zijne demissie op den 24sten van wintermaand 1805.
MINISTERIE van FINANTIEN.
⁂ Lucas Hendrik Rysterborgh, gechargeerd met de administratie der nationale domeinen, herkomende van den vorst van Nassau, en gelegen onder Oosterhout, Dongen en de kommanderij ter Braacque, brengt, bij deze, ter kennisse van elk, dien zulks zoude mogen aangaan, dat hij, als daartoe behoorlijk geautoriseerd, ten overstaan van den commissaris E. Temminck, publiek, aan den meestbiedenden, bij opbod, ten bijwezen van die van den geregte van Oosterhout en Dongen, respectivelijk, zal verkoopen;
Op zaturdag den 18den van lentemaand 1809, des voormiddags ten 10 uren, ten huize en herberge van Knapen, op de hoeve, in de heide, onder Oosterhout:
1o. Vijf kavelen extra goed schaarshout, staande in het slotbosch;
2o. Vijf kavelen, willige schaarhout, van de kopwillige boomen, staande in het broek;
3o. Een-honderd-en-vijftig kavelen mastsparren, visschers-staken, boonstaken, latten, onderslag en brandhout, staande en liggende alle hetzelve onder Oosterhout, om en bij de hoeve, in de heide.
Terwijl die genen, welke eenige onderrigting of aanwijzing begeeren, zich kunnen adresseren twee dagen vóór de hier bovengemelde dagen van verkooping; te weten: voor het geen te Dongen wordt verkocht, aan de boschwachters Laurens en Jacobus van der Wee, te Dongen, en voor hetgeen te Oosterhout zal worden verkocht, aan de boschwachters H. A. de Hoogh en J. Brands, te Oosterhout, die aan ieder, des begeerende, de noodige aanwijzing zullen doen, respectivelijk.
| Oosterhout, den 13den van sprokkelmaand 1808. |
De gequalificeerde voornoemd, L. H. Rysterborgh. |
⁂ De rentmeester der domeinen, herkomstig van den doorluchtigsten huize van Paltz-Beyeren, over de stad, zuid- en westkwartier van Bergen-op-Zoom, aankomende het koningrijk Holland, brengt ter kennisse van allen en een iegelijk, dat men voornemens is, op dingsdag den 21sten van lentemaand 1809, des voormiddags ten negen uren, ten herberge van G. Moors, te Hogerheiden, te verkoopen:
Eene extra groote schoone partij kavels, masten, snoeiling, sparren en heimhouten, gelegen in de hogerheidsche plantage;
Mitsgaders, op den 22sten ven lentemaand 1809, mede des voormiddags ten 9 uren, aan de huizinge in de woudsche plantagie.
Eene extra groote schoone partij kavels, masten, snoeiling, heinhouten, benevens eenige kavels schaarhout, en snoeiling van elke en andere boomen, in de gemelde plantagie van Wouw zich bevindende.
En zal dezelve rentmeester, daartoe gequalificeerd, op den 21sten van lentemaand 1809, ten huize van G. Moors, te Hogerheiden vermeld, om contant geld, ad opus jus habentium, verkoopen:
Eene sloep zonder tuig of want, gestrand aan den dijk van Prins Carels pol-