Ook heeft Z. M. bepaald, dat geen inwoner aan eenige belasting kan worden onderworpen, tot onderhoud van kerken eener andere gezindheid, behoudens het nemen van maatregelen tot het bereiken van dit oogmerk, zonder iemands bijzonder eigendom te beschadigen: de minister van eeredienst is belast, eene volledige voordragt daartoe, uiterlijk vóór den 1sten van zomermaand aanstaande, aan Z. M. te doen. De minister van eeredienst is almede belast, terzelver tijd eene difinitive voordragt te doen, omtrent de maatregelen, die te nemen zijn, om, open met den 1sten van lonwmaand aanstaande, de dispositie in het reglementair decreet van den 2den augustus ll. ten uitvoer te brengen.
Z. M. is zeer te vrede geweest over de gevoelens, die hem de gereformeerde en roomsche geestelijken hebben aan den dag gelegd. De Koning heeft de eerste, verzekerd, dat hij hen niet alleen alle de voorregten, die zij genieten, zoude bewaren, voor zoo verre dezelve niet strekken ten nadeele van andere gezindheden, en bijzonder van de roomschen, die na hen de talrijkste gemeente zijn, maar ook, dat Hoogstdezelve door Hare eigene oogen meer en meer word overtuigd van de noodzakelijkheid, om hun noodlot te verbeteren, en dat Zij hoopte t’eeniger tijd in staat te zullen zijn, hen in die welgesteldheid te onderhouden, die in allen opzigte met hunne zoo belangrijke en vereerenswaardige pligten overeenstemd: pligten, die, door bijna allen in het koningrijk, op eene prijzenswaardige wijze vervuld worden. Zij is overtuigd, dat hoe meer middelen men hen geven zal, om goed te doen, des te meer dezelve ten voordeele van Haar volk zullen worden aangewend, daar Hoogstdezelve wist, dat de gereformeerde predikanten den staat en hunne medeburgers dienen, niet alleen met het voorbeeld te geven van goede zeden, maar ook met alle hunne middelen, en dat het steeds met een waar genoegen was, dat Z. M. eene gelegenheid vondt hen van zijne achting en vriendschap te verzekeren.
Z. M. zeide tegen de roomsche geestelijken, dat Zij met leedwezen zag, dat de tegenwoordige omstandigheden Haar niet veroorloofden, alles voor hen te doen, wat zij te wachten hadden, en hen op eenen gelijken voet met de gereformeerden te behandelen; dat Zij hen echter de verzekering gaf, dat dit ontwijfelbaar ten spoedigsten mogelijk zoude geschieden, maar allengs, uit hoofde van den toestand van het land, welke door de ongelukkige voortzetting van den oorlog word verzwaard; dat Zij Haar zelve had voorbehouden, het doen van uitspraak over alle geschillen omtrent de kerken, en Zij het op Haar moesten laten aankomen, omtrent de billijke wijze, waarop deze beslissing zoude geschieden; maar, dat eenmaal uitspaaak zijnde gedaan, over de plaatsen waar reclamatien waren, de zaak voor altijd beslist en afgedaan moest zijn, te beginnen met het departement Overijssel, zoodra Z. M. hetzelve geheel zoude zijn doorgereisd; dat Hoogstdezelve met genoegen zag, dat zij te vrede waren met de bepalingen van het decreet van den 2den Augustus ll., die zij konden rekenen, dat op de billijkste wijze, en met oogmerk, om ten einde te brengen en voor altoos weg te nemen de geschilpunten tusschen christen landgenooten, zouden worden in werking gebragt; want, dat het verschil op eenige punten eene zaak was, die tusschen den hemel en hun geweten moest worden afgedaan, en welk verschil niet moest in aanmerking komen, noch bij particulieren, noch bij het gouvernement, hetwelk wezenlijk belang steld, dat ieder zijnen godsdienst voige, en bij de volkomenste vrijheid van geweten, ten dien opzigte, gewaarborgd worde; dat Hoogstdezelve hen, zoowel als de gereformeerden, bedankte voor de goede verstandhouding, waarin zij leven; dat haar niets aangenamer zijn konde, en dat ook niets beter ter hunner aller lof dienen kan.
De minister van binnenlandsche zaken brengt, hier mede, ter kennisse van de daar bij belanghebbenden, dat, ingevolge de wet van den 24sten december 1807, alle niet reeds ingezonden pretentien ten laste van het ministerie van binnenlandsche zaken, waaronder thans ook is begrepen de generale directie van den waterstaat, voor den dienst van het jaar 1808, op pœne van nulliteit, vóór den 1sten van grasmaand 1809, bij hetzelve ministerie moeten zijn opgegeven; dat wijders die pretentien behooren te zijn vervat in rekeningen of declaratien, voorzien van duplicaten, en de vereischte attestatien nopens derzelver deugdelijkheid.
| Amsterdam, den 12den van louwmaand 1809. |
De minister voornoemd, A. P. Twent. |
BEYEREN.
Augsburg den 2 van Lentemaand.
De generaal Oudinot is gister nadenmiddag naar Munchen vertrokken, alwaar hij zijn hof bij den Koning gaat maken. De luitenant-generaal baron van Wrede vergezeld hem. De rijdende artillerie is eergister alhier aangekomen.
DUITSCHLAND.
Frankfort den 7 van Lentemaand.
Er is een courier van Z. M. den Koning van Westphalen doorgekomen; hij kwam van Kassel, en ging naar Stuttgardt.
WETENSCHAPPEN.
geschiedenis.
Schets van het leven van Apollonius van Thyanes.
(Achtste en laatste vervolg.)
Na dien tijd leidde Apollonius, het zij uit vrees voor Domitiaan, hei zij door eene hem eigen onrust gedreven, ongeacht zijnen hoogen ouderdom, een zwervend leven. Het is waar, hij deed niet meer die verre togten, van welke hij in zijne jeugd een zoo groot beminnaar was geweest, maar ging niettemin in klein Azie en vooral in Ionie, mitsgaders in eenige steden van Griekenland, vlijtig rond. Hij verborg zich echter niet voor Domitianus, want leeraarde even als te voren, en was altoos van een aanzienelijk getal leerlingen verzeld. Maar Domitiaan, misschien door andere zorgen gekweld, liet hem in vrede, en wij vinden, gedurende den tijd van dit zijn omzwerven, nie[t]s merkwaardigs, ten zij dat hij, geld gebrek hebbende, Jupiter eene somme van 1000 drachmen, (omtrent 250 guldens) ter leen vroeg, die hem ook geredelijk door een der priesters werden toegeteld.
Wij haasten ons dan het laatste wonderwerk van den wijsgeer, hetwelk hem wel het meest vermaard heeft gemaakt, en bij het verblinde volk alle zijne overige wonderen bekroonde, te verhalen.
Het was op den 18den van herfstmaand van het jaar 847, na den bouw van Rome, dat de huisgenooten van Domitianus, zijne wreedheden moede, hem in zijn paleis vermoordden. Op den middag van dienzelfden dag leeraarde Apollonius in een tuin te Ephesen, alwaar bijna alle lieden uit die stad waren bijeengekomen, om hem te hooren. Eensklaps houdt de redenaar als door schrik verstijfd, te middel in zijne redevoering op zijne stem ontzinkt hem, zijne woorden zijn verward, en even als of hij een voorwerp ziet, hetwelk zijne geheele aandacht tot zich trekt, houdt hij de oogen op de aarde gevestigd: Hij blijft eenige oogenblikken in die houding: plotselijk doet hij drie of vier treden en roept met eene vervaarlijke stem, »treft hem! treft den tijran!” Men begrijpt ligt, welke verwondering deze ongewone woorden bij de vergaderde menigte moesten veroorzaken. Apollonius liet hen niet lang in de onzekerheid. »Mijne vrienden, zeide hij, verblijdt u en hebt goeden moed; de tijran is op dezen dag verslagen: wat zeg ik, op dezen dag, in dit oogenblik zelf, bij Minerva, in het oogenblik dat ik zweeg, onderging hij de straf van zijne misdaden.” In het eerst zagen de Ephesers dit gezegde voor eene dwaasheid aan; doch, na verloop van eenige dagen, kwam de tijding van het voorval uit Rome.
Dit zoogenaamd wonderwerk, hetwelk niet alleen door Philostrates, maar ook door den historieschrijver Dio Cassius wordt verhaald, heeft de verschillende schrijvers over Apollonius veel spels gegeven. Wij zullen alleen aanmerken, dat het niet onmogelijk is, dat Apollonius, wiens betrekkingen met de grooten van Rome ons reeds bekend zijn, iets van de zamenzwering, die, volgens Suetonius[1] een’ geruimen tijd rijpte, geweten hebbe; en men zoude Apollonius slecht beoordeelen, indien men niet begreep, dat dezelfde hoogmoed, die hem, in het geval van Nerva, Salvidienus en Rufus, de bedreigingen van Domitiaan deed verachten, hem nu aangespoord hebbe, om het geen hij wist het publiek medetedeelen, al moest hij daardoor dan ook zijne vrienden verraden, of wagen, dat men hem voor een’ snorker hield.
Niet lang hier na, verdween hij, volgens Philostrates, uit het middel der menschelijke zamenleving, zonder dat, tot heden toe, iemand eenige omstandigheden van zijnen dood gewaar werd.
Kort te voren had Nerva, die, na den dood van Domitiaan den keizerlijken troon beklom, hem den volgenden brief geschreven. »De wil der goden en uw raad hebben mij ten troon verheven; maar om denzelven te behouden en het rijk te besturen, daartoe zal ik uwe vermaningen zoonodig hebben.” Apollonius beantwoordde dezen brief in de volgende bewoordingen: wij zullen elkanderen gedurende een’ zeer langen tijd zien, daar, waar niemand meer gebiedt, noch iemand gehoorzaamt.”
Deze woorden, welke men mede voor eene voorzegging gehouden heeft, bewijzen vrij duidelijk, dat Apollonius, die nu over de honderd jaren oud was, het lang bij hem beraamd ontwerp, om, zelfs in zijn’ dood, een wonderwerk te verrigten, thans wilde uitvoeren. Zijn geliefkoosde stelregel was altoos geweest: »zorg, dat uwe wijze van leven geheim blijve, en zoo u dit niet mogt gelukken, verberg ten minsten uwen dood.” En dien ten gevolge, wist hij dan nu den goeden Damis, de eenigste, die hem, in de uitvoering van zijn ontwerp kon hinderen, onder voorwendsel van eene boodschap aan Nerva te gaan verrigten, waartoe hij niemand anders bekwaam oordeelde, van de hand te schuiven. Bij het afscheid nemen, zeide hij aan zijnen getrouwen metgezel. »Damis, wanneer gij u alleen in de wijsbegeerte zult oefenen, houd immer mij in de gedachte.” Deze vertrok en zag Apollonius niet weder.
Had deze wijsgeer gedurende zijn leven eene groote vermaardheid verkregen, niet minder werd hij na zijnen dood geëerd. Zijne vaderstad bouwde hem een tempel, en het was uit dien hoofde, dat Keizer Aurelianus, deze stad, die hij besloten had te vernielen, spaarde; naderhand zelfs daartoe, zoo men zegt, genoopt door eene verschijning van Apollonius, heiligde hij hem standbeelden en altaren. Ook Antoninus Caracalla stichtte den wijsgeer eenen tempel en betuigde, bij alle gelegenheden, eenen diepen eerbied voor hem. Alexander Severus vereerde de beeltenis van onzen held, onder die van zijne andere heiligen, in eene bijzondere daartoe geschikte kapel: en het was, gelijk wij gezien hebben, op last van de Keizerinne Julia, deszelfs gemalin, dat Philostrates zijne levensbeschrijving ondernam. Eindelijk, gaven zich een groot getal persenen uit, betoveringen te kunnen uitwerken, door den naam van Apollonius te gebruiken.[2] Ook