Naar inhoud springen

Pagina:Koninklijke Courant 1809 no 061.pdf/3

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

aan eerbewijzen van een’ redelijker aard, mangelde het der nagedachtenis des wijsgeers niet.

De Keizer Hadrianus, wien het, volgens de geloofwaardigste geschiedschrijvers, geenszins aan geest ontbrak, verzamelde, zoo veel hij konde, de brieven van Apollonius, en bewaarde die met een klein boekje van hem, over de antwoorden, die hij van het orakel van Trophonius had bekomen, in zijn heerlijk paleis te Antium, waarvan dit boekje, nog lang naderhand, eene der zeldzaamste kostbaarheden uitmaakte. De geschiedschrijver Vopiscus[1] en anderen geven van Apollonius de roemrijkste getuigenissen. Ja zelfs geven sommige christen schrijvers, niettegenstaande het geen wij in den beginne dezes gemeld hebben, hem veel lof. Zoo maakt, bij voorbeeld, Sidonius Apollinaris, in eenen brief aan een’ raadsheer van Evariges, Koning der Gothen, eene beschrijving van hem, waarin men den grootsten held der wijsbegeerte erkent, die men immer vinden kan[2]. En Augustinus verklaart met zoo vele woorden, dat Apollonius vrij beter was, dan den heidenschen Jupiter, dien hij een’ maagdenschender en vrouwen verkrachter noemt[3]

Het is dus zeker, dat Apollonius eenen roem heeft nagelaten, die meer dan 4 eeuwen heeft geduurd, en wij geven het aan iederen oordeelkuhdigen lezer in bedenking, of men eenen dergelijken roem verkrijgt, zonder wezenlijk groote hoedanigheden te bezitten, ten minsten zonder eenen allerbelangrijksten rol te hebben gespeeld.

Wij bewonderen in hem zijne onbegrijpelijke matigheid, waardoor hij het zoo verre heeft gebragt, dat hij, in den ouderdom van meer dan honderd jaren, een nog beter geheugen bezat, dan den mede daardoor beroemden Simonides, wiens gedicht tot lof van het geheugen hij ook dikwijls opzong. Wij merken in hem zijne groote kuisheid en onthouding op, die zoo verre ging, dat hij, zelf in zijne jeugd, over de natuur zegepraalde, en ten nadeelen van welke, zelfs de verbitterde Euphrates nimmer iets heeft ingebragt. Maar vooral boezemen ons, zijne grootmoedigheid en de verregaande mildadigheid, waarvan wij in het beloop dezer genoegzame staaltjes hebben bijgebragt, eene groote achting in. Jammer maar, dat alle deze goede hoedanigheden, door de onlijdelijkste hoogmoed, door de zucht om op eene geheel vreemde wijze voortedoen, en welke zucht hem geheel het aanzien van een kwakzalver moet gegeven hebben, met een woord, door de lust om iedereen zand in de oogen te werpen, zoo niet geheel verdwijnen, ten minsten zich zeer flaauw voordoen.

En het is deze zucht, om door vreemdheid uittemunten, die hem, ook in het godsdienstige, tot een volslagen huichelaar vormde. Want alhoewel hij, bij alle gelegendheden, den diepsten eerbied voor allerlei soorten van goden beloonde, hetwelk hij noodwendig doen moest, wilde hij zich zelven voor iets bovenmenschelijks doen doorgaan; niettegenstaande hij niet naliet, overal waar hij zich bevond, de priesters in den eeredienst te onderwijzen, ja zelfs, bij de belagchelijkste kleinigheden, zich ophield; als bij voorbeeld, hoe vele ooren de schaal, waar mede men de offer-besproeijingen deed, behoorde te hebben; langs welk oor men behoorde te gieten, en dergelijke zwaarwigtige dingen meer; niettegenstaande hij volhield eenen geheimen omgang met de goden te hebben, erkende hij geene andere godheid dan de natuur.[4]

De verzameling van brieven, waarvan de boven aangehaalde er een is, en die alle in den kortsten stijl geschreven zijn, is alles, wat ons van Apollonius is overgebleven.[5] Hij had bovendien verscheiden werken vervaardigd, als: vier boeken over de starren-kijk-kunst of atrologia judiciaria,[6] eene verhandeling over de wijze van offeren,[7] een werk betijteld het testament, eene verzameling van orakelen en brieven en een leven van Pythagoras;[8] ook had hij nog een boek over de godgeleerdheid geschreven,[9] maar alle deze zijn verloren geraakt. Hadden wij eenige van die werken bezeten, misschien zouden wij in staat geweest zijn een duidelijker denkbeeld van Apollonius te geven, daar wij ons nu hebben moeten vergenoegen, om, voor het grootste gedeelte, zijn door Philostrates geschetst schaduwbeeld, echter zoo veel mogelijk van deszelfs minder ware toetsen ontbloot, den lezer aantebieden.


  1. Vopsiscus in Aurel; cap. XXIV.
  2. Zie hier de woorden van Sidonius. Apollinaris zelven: »Lege virum (fidei catholicæ pace præfata) in plurimis similem tui, id est, à divitibus ambitum, nec divitias ambientem, cupidum scientiæ, continentem pecuniæ; inter epulas abstemium, inter purpuratos linteatum, inter albastra censorium: concretum, hispidum, hirsutum, in medio nationum delibutaram; atque inter satrapas regum tiaratorum, myrrhatos, pumicatos, malobatratos, venerabile squalore prediosum. Cumque proprio nihil esui aut indutui de pecude conferret, regnis ab hoc, quæ pererravit, non tam suspicioni, quam fuisse suspectui: et fortuna regum sibi in omnibus obsecundante, ilia tantum beneficia poscentem, quæ magis sit suetus oblata praestare, quam sumere.” Sidon. Apollinaris; epist. III, lib. VIII, pag. 486.
  3. Augustinus epist. IV, pag. 23.
  4. Epist. 58.
  5. Bayle, art. Apoll. noot G.
  6. De divinatione astrorum, Philostrates, lib III, cap. XIII.
  7. Eusebius praeparat. evangel. lib. IV, cap. 13, pag. 150.
  8. Suidas in Apologios, pag. 376.
  9. Eusebius demonstrat. evangel. lib. III, cap. 3, pag. 105.

ZEETIJDINGEN.

Den 12den vab lentemaand, in Texel niets gepasseerd; de wind O. N. O.
Den 11den, in ’t Vlie niets gepasseerd; de wind W.



MINISTERIE van BINNENLANDSCHE ZAKEN.

⁂ De commissie tot het examineeren der veeartsen adverteert, bij deze, aan alle de daarbij belanghebbenden, met erinnering tevens aan de meermalen te voren gedane advertentien, dat zij hare werkzaamheden nogmaals zal hervatten op den 20sten van lentemaand aanstaande; kunnende mitsdien die genen, welke begeeren geëxamineerd te zijn, zich adresseren aan den voorzitter der commissie, den staatsraad en hoogleeraar S. I. Brugmans, te Leyden.

Leyden, den
23sten van sprokkelmaaad
1809.
Uit naam der voorsz. commissie,
D. Heilbron Cz., fungerend secretaris,
woonachtig te Amsterdam.

⁂ De commissie van onderwijs voor het departement Utrecht zal hare gewone voorjaarsvergadering houden, ten huize van den concierge Velthoven, naast het Landschapshuis, te Utrecht, op woensdag den 12den van grasmaand aanstaaude, ’s morgens ten 9 uren; wordende alle schoolonderwijzers, die dan, ter verkrijging van een’ wettigen rang, een examen voor de commissie wenschen afteleggen, aangemaand, om zich tijdig te vervoegen bij dat lid der commissie, onder welks district zij woonachtig zijn.

A. Simons, secretaris.

⁂ Alzoo, door het vertrek van den heer J. L. Rapin de Thoyras, naar Arnhem, met primo bloeimaand 1809, het rectoraat der latijnsche scholen, benevens de directie over het opvoedings-institut en kostschool, binnen de stad Hattem, zal komen te vaceren, worden alle die genen, welke in staat zijn en genegenheid hebben, om, op een jaarlijksch traktament van ƒ 450.-.-, benevens eene vrije woning, aanzienlijk minerval, en verdere emolumenten, als rector en directuer over het opvoedings-institut binnen voorschreve stad, mits de grieksche, latijnsche, fransche en andere levendige talen, als ook de geographie, historie, en al wat verder tot eene behoorlijke opvoeding vereischt wordt grondig kunnende doceren, van den protestantschen godsdienst, en zijnde gehuwd, liefst met eene vrouw, welke in staat is, om jonge jufvrouwen in eenige handwerken te kunnen onderwijzen, verzocht en uitgenoodigd, om zich, zoo spoedig mogelijk, ter secretarij van gemelde stad te adresseren.

⁂ Een ongehuwd persoon, den ouderdom van ten minsten 18 jaren bereikt hebbende, van een zedelijk gedrag, en van eene akte van algemeene toelating als schoolonderwijzer van den derden rang voorzien, genegenheid hebbende, voor den hoogbejaarden schoolonderwijzer in de gemeente van Bensehop, (voormalige baronnie van IJsselstein) de directie in het school op zich, als mede voor denzelven, den kerkdienst waartenemen, op een vast traktement van ƒ 230:-:0 ’s jaars, buiten bijkomende emolumenten à ƒ 30:-:-. Adresseere zich in persoon bij den schout H. L. van Buma en Cornelis van Dyk, president van ’t gemeente-bestuur, als uitmakende de plaatselijke school-commissie te Benschop, immers, uiterlijk, vóór den eersten van grasmaand.

MINISTERIE van OORLOG.

⁂ Ingevolge autorisatie en onder nadere approbatie van Z. E. den minister van oorlog, zal de generaal-majoor Croiset, directeur der fortificatien, in de eerste directie, publiek, aan den minsteisschenden, aanbesteden:
1o. Het leggen der benoodigde dammen en vingerlingen met het graven der putten, voor de te bouwene steenen beeren in de zeedijken, voor de dijkposten te Sparendam en Durgerdam.
2o. Het bouwen van twee steenen beeren, voor de voorschreve posten, en het maken van twee houten bruggen nevens dezelve.
De bestedingen betrekkelijk deze werken zullen geschieden, op maandag den 20sten van lentemaand eerstkomende, des voormiddags ten elf uren, in de Nieuwe Stads Herberg, te Amsterdam, alwaar acht dagen vóór de besteding de bestekken en teekeningen voor een ieder ter lezing en bezigtiging zullen liggen; kunnende intusschen nadere informatie worden verkregen bij den kapitein der artillerie en genie W. Valter, te. Amsterdam, welke vrijdag den 17den te Sparendam, en zaturdag den 18den te Durgerdam, aanwijzing in loco zal doen.

⁂ De gebroeders van Cleef, boekverkoopers van den Koning en der koninklijke bibliotheek, te Amsterdam en in den Haag, hebben, op last van zijne excellentie den minister van oorlog, ten dienste van de koninklijke hollandsche armee gedrukt, en aan hunne correspondenten verzonden:
1. Journal militair, bevattende de besluiten, decreten en orders, de landmagt betreffende; eerste, tweede en derde stuk, uitmakende het jaar 1806, en de zes eerste maanden van het jaar 1808; dit werk zal regulier vervolgd worden.
2. Reglement op den velddienst voor de infanterie; à 52 stuivers.
3. Reglement op den inwendigen dienst, de politie en de krijgstucht, voor de infanterie; à 25 stuivers.
4. Het zelfde werkje voor de kavallerie; à 36 stuivers.
5. Reglement op de monsteringen, administratie, soldij en verantwoording der landmagt, met alle de daarbij behoorende tabellen, groot 8o., om bij het formaat der andere militaire werken gevoegd te kunnen worden; à 44 st.
6. De platen, met de hollandsche uitlegging van dezelve, voor de excercitie-reglementen van de infanterie en de kavallerie.
7. Dagelijksch-handboek voor onder-officieren en soldaten; à 11 stuivers.
8. Bijzonder onderwijs in de handgrepen te paard, zoodanig als dezelve volgens het reglement voor de kavallerie, bij het keizerlijke leerschool te Versailles, onderwezen worden; à 15 stuivers.
9. Onderrigt voor de ligte troepen en de officieren, welke op de voorposten dienen, ontworpen volgens het voorschrift van Frederik den II voor zijne officieren der kavallerie; à 28 stuivers.
10. Onderrigt voor de onder-officieren en de manschappen der ligte troepen, welke zich op de voorposten bevinden; à 3 stuivers.
11. Naamregister der officieren van ’s Konings armee, over den jare 1808, à 25 stuivers.
Bij dezelve zijn verder alle de fransche militaire zoo exercitie- als administratie-reglementen, volgens eene daarvan gedrukte catalogus, voorhanden.

MINISTERIE van JUSTITIE en POLITIE.

⁂ De gebroeders van Cleef, ’s Konings boekverkoopers, te Amsterdam en in den Haag, hebben, van maandag den 6den tot zaturdag den 11den van lentemaand 1809, voor de koninklijke bibliotheek en het ministerie van justitie en politie, ontvangen drie exemplaren van ieder der navolgende uitgekomen werken:
P. Bondam, Charterboek der hertogen van Gelderland en graven van Zutphen, in folio, 1ste deel, 4de afdeeling; te Utrecht, bij J. Altheer.
Klaagzang op den watervloed in Gelderland, door P. Nieuwland, groot 8o.; te Leijden, bij D. du Saar.
Treurzang op de geweldige overstrooming in Gelderland, door J. Schyvliet, groot 8o.; bij denzelfden.
Scholten, Lijkrede op den H. W. G. heere Bartholdt, baron de Cocq van Haeften, groot 8o.; te Nijmegen, bij J. C. Vieweg.
Mengelingen voor de jeugd, 1ste stukje, in 8o.; bij denzelfden.
J. J. Scholten, Tweetal leerredenen, groot 8o.; bij denzelfden.
Ostervald, Aanmerkingen over het oude verbond, groot 8o., te Leijden, bij A. en J. Honkoop.
Van Staveren, De vorstelijke krijgsman op het slagveld, in 8o.; te Amsterdam, bij H. B. Saakes.

Maand- en Week-Bladen.

Oefenschool van en voor onderwijzers der jeugd, no. 2.
Boekzaal der geleerde wereld, vcor sprokkelmaand.
Algemeene konst- en letter-bode, no. 9 en 10.
Amstels schouwtooneel, n{{sup|o}. 53.
Zottenbergsche courant, no. 1 en 2.
Naamlijst der overledenen en ondertrouwde in den Haag.
—————————————— te Rotterdam.
Schiedamsche courant, no. 28, 29 en 30.
De held der rede, no. 309.
Elegantia, of tijdschrift van mode en smaak, voor Sprokkelmaand.
De bijenkorf, 2de deel, no. 44.