92
Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.
Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als 't ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.
Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten het nu om zijn onbeschaamdheid.
De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heel kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op het strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze urenlang door.
De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.
Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen," zeide een bruine wijfjesgraseend.
"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoor lijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.
Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.
"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans.
"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste