95
De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar! — Maar toen hij het jonge gansje van dichtebij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.
Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.
"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.
Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen ben om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij."
Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een betooverde prinses."
Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in 't gelid.
"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.
Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten.