Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/104

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

96

Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar 't beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.

Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.

Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.

"Donsje. Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik.

"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in 't lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.