X.
DE GROOTE VLINDER.
De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland
dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich
opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en
vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was
geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven,
en naar den ganzerik gezocht.
Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.
Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was 't zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.
De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. 't Was alsof dat lichaam en dat gezicht in 't geheel niet bij elkaar pasten.
Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: "Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten."
"Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik," zei de oude herder. "Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter