XI.
HET KLEINE KARELSEILAND.
de storm.
De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke zuidenwind over 't Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, en slingerde ze voort naar den kant van de zee.
't Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met den wind meê draaien.
Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, alsof ze wedijverden, wie 't hoogste kon komen en het woedendste schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende water. Het
scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze spanden
101