102
zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven — hoog op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal — en hadden evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen afgunstig: "Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen."
Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka riep telkens: "Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!"
Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep de een na de ander in, en zelfs Akka was op 't punt in te slapen, toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop van een golf.
"Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!" riep Akka met luide, schelle stem, en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. 't Was op het laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.
Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze zagen geen land — enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.
Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste verwoestingen aan onder de massa's vogels, die in dien tijd van het jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, dat ze in zee zonken en verdronken.
Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi van de zeehonden.
Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan bonsden, en ze vreesde daartusschen