103
verpletterd te worden. Een paar maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.
Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.
't Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen! Hoe zou 't toch gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.
De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. 't Roepen van trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu men niet meer kon zien wie 't waren, die zoo riepen, klonk het akelig en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. 't Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.
HET GEVAAR.
De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken.
Op eens meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger.
Hij keek op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand,
verhief zich een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen
de golven op in hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen
recht op de rots aan, en de jongen kon niet anders denken, dan
dat zij er tegen verpletterd moesten worden.
Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen de ganzen in, en 't volgend oogenblik waren zij in veiligheid.
Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, wat er van haar was geworden.
Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi