Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/112

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

104

van den troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.

Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo'n prachtig nachtverblijf hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten in 't oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.

"Dat zijn oogen!" riep Akka. "Er zijn groote dieren hier binnen!"

Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in 't donker kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: "Daar hoef jelui niet voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den wand van de grot liggen!"

Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te gemoet. "Wees welkom in deze wildernis!" zeiden ze.

Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.

Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij in hun grot waren gekomen.

"'t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen," zei Akka. "Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht mochten blijven."

Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen, met woorden antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen en wonderlijk waren, maar deze schenen er in 't geheel geen begrip van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende stem:

"Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen zooals vroeger."

"U behoeft u daarover niet te bekommeren," zei Akka. "Als u wist, wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen."