Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/113

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

105

Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. "Ik geloof, dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben."

Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te goed te doen. "Wij hebben van 't jaar veel sneeuw gehad hier op het eiland," zeide ze. "De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven."

De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.

"Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te zeggen, dat het hier onveilig is," zei hij. "Wij kunnen hier in dezen tijd geen gasten voor den nacht ontvangen."

Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. "Wij zullen heengaan, wanneer u dat verlangt," zeide zij. "Maar wilt u ons niet eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, waar wij zijn."

"Dit is het kleine Karelseiland," zei de hamel. "Dat ligt voorbij Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels."

"Hoort u misschien tot de wilde schapen?" vroeg Akka.

"Dat scheelt niet veel," antwoordde de hamel. "We hebben niets met menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, als het 's winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden wij onszelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren en sloten, maar houden ons in grotten als deze op."

"Blijft u hier ook 's winters?" vroeg Akka verwonderd.

"Ja, dat doen we," antwoordde de hamel. "We hebben genoeg te grazen hier op den berg het heele jaar."