106
"Mij dunkt, het schijnt, dat u 't beter hebben moest dan andere schapen," zeide Akka. "Maar wat is er u dan voor een ongeluk overkomen?"
"'t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland."
"O zoo! durven de vossen dan ook u aan?"
"O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen," zei de hamel, en schudde zijn horens. "Maar ze sluipen op ons toe in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren kudden, even groot als de mijne."
"'t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn," zei nu de oude schapemoeder. "We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer we tamme schapen waren."
"Denkt u, dat ze hier van nacht komen," vroeg Akka.
"We kunnen niet anders verwachten," antwoordde de oude. "Ze waren hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere plaatsen gedaan."
"Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid," zei Akka.
"Ja, het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op 't kleine Karelseiland," zei de schapemoeder.
Akka stond daar heel besluiteloos. 't Was niet prettig er nu weer op uit te gaan in den storm. En 't was ook niet goed in een huis te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.
"Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo dikwijls hebt gedaan," zei ze.
"Ja," zei de jongen; dat wilde hij wel.
"'t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen," zei de wilde gans, "maar ... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?"
De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te zullen blijven.
Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.
Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit