Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/115

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

107

te kijken. De grot lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.

Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in 't eerst heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar groote reuzen, of andere steenen monsters, — of misschien waren het wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, en andere in 't geheel geen kop, sommige hadden één arm en sommige hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets wonderlijks gezien.

De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij weer kalm, en was in 't geheel niet bang meer. Toen viel 't hem in, dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.

"Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te maken!" zei de jongen.

Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.

"Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen," zei de een.

"Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren."

"Ga jij er maar gerust op af," zei de ander. "Ons kunnen ze ten minste niets doen."

Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in 't rond.

"Wien zullen we van avond nemen?" fluisterde de vos, die vooraan liep.

"Van avond zullen we den grooten hamel nemen," zei de laatste. "Dan gaat het later gemakkelijk met de andere."

De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze voortslopen.

"Stoot nu recht vooruit," fluisterde hij. De hamel stootte toe,