Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/116

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

108

en de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van de grot.

"Stoot nu links," zei de jongen, en wendde den grooten kop van den hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had al gemaakt, dat hij wegkwam.

"Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht," zei de jongen.

"Ja, dat denk ik ook," zei de groote hamel. "Ga nu op mijn rug liggen, en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je 't goed en warm krijgt na al dien wind, waarin je geloopen hebt."




HET HELSCHE HOL.


Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige rots. 't Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende gewassen, waar schapen veel van houden.

Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de heele zee, die nu blauwend in 't zonlicht haar glanzende golven voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in schuim. Vlak in 't oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, en in 't zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie als 't kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.

"'t Lijkt hier wel het beloofde land," zei de jongen. "Jelui schapen woont hier maar mooi."


"Ja, wel is 't hier mooi," zei de groote hamel. Het was, alsof hij er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.

"Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die spleten hier in den berg," ging hij een poos later voort. En