109
die waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette "'t helsche hol". Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.
"Als iemand hier inviel, was het met hem gedaan," zei de groote hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling had, met wat hij zei.
Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtebij die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.
Hoewel 't heel mooi was aan 't strand, wou de jongen toch liever boven op den berg wezen. 't Was akelig daar beneden, omdat er overal doode schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. 't Was hartverscheurend te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.
De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid te kijken.
Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij daar gekomen was, bleef hij staan.
"Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag," zei hij, "dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende straf hadden gekregen."
"De vossen moeten toch ook leven," zei de jongen.
"Ja," zei de groote hamel, "zij, die niet meer dieren verscheuren, dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die vossen hier zijn misdadigers."
"De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen," meende de jongen.
"Zij zijn hier al dikwijls geweest," antwoordde de hamel, "maar dan verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet konden schieten."
"Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou kunnen, als jijzelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen krijgen," zei de jongen.
"Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken," antwoordde de groote hamel.
Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de