110
wilde ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, en had ze zoo graag willen helpen.
"Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over die zaak," dacht hij. "Misschien kunnen ze mij bijstaan met een goeden raad."
Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep over de bergvlakte naar het helsche hol.
Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, alsof hij gebroken was.
Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar op den ganzenrug kon liggen en staan.
Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik niets van hen merkte.
Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.
Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een vos moeite heeft ze in te halen.