Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/120

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XII.

TWEE STEDEN.



de stad op den bodem der zee.

Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de ganzen gaan liggen.

't Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, dat het de avond vóór Paschen was.

"Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots," dacht hij, en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.

Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch wel gezien hebben. 't Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, dat ook maar 't kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.

Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog aan de lucht, en daar voor kwam een grote vogel aanvliegen. Hij vloog niet voorbij de maan, maar 't scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de maanschijf geteekend was, 't Lichaam was klein, de hals lang en smal, de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, dat het een ooievaar moest wezen.