Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.
"Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik," zei hij. "Hoe komt het, dat u midden in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt u Moeder Akka spreken?"
"Het is van nacht te licht om te slapen," antwoordde Mijnheer Ermerik, "Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar 't Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar 't huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren."
De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, en wat rond te rijden in den mooien nacht.
Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.
Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.
De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den jongen toch iets van het binnenland te zien.
Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.
"Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen," zei hij tegen Duimelot, "terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je me niet weer terug kunt vinden."
De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, dat hij 't niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar het wegschopte.
Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want op twee stappen afstands verhief zich een hooge, donkere