Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/122

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

muur met een groote poort, waar een hooge toren op stond.

Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de groote poort in den muur open.

De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, wat daar achter lag.

"Ik moet toch zien, wat dat wezen kan," dacht hij, en ging de poort door.

Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich en speelden een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op den jongen, die hen snel voorbij liep.

Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen liepen lange, smalle straten.

Op de plaats van de poort wemelde het van menschen.

De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden onderkleeren; baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.

De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.

Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.

Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, dat was de stad zelf. Ieder huis was zoo gebouwd, dat het den gevel naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou kunnen vertoonen.

Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij trapgevels had gezien die beelden van Christus en Zijn apostelen op de verschillende treden droegen, waar beelden in nis aan nis stonden langs den heelen wand, gevels ingelegd met veelkleurige stukjes glas, en gevels, die getand waren en geruit in wit en zwart marmer.