Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel van vreeselijke haast.
"Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer zien!" zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo gauw hij kon, straat in, straat uit.
De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met hun werk. Hier werd traan gerookt, daar looide men huiden, elders was een lange touwbaan.
Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen leeren. Hier zag hij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.
Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.
De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.
Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag ouderwetschen schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal heerschte drukte en leven.
Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie gevels met de meest verschillende versieringen.
De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste gezien te hebben, en begon daarom langzamer te