Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/124

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

loopen. De straat, die hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank uitspreidde.

Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, en begon hem te wenken.

De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk zijden damast uit als om hem te lokken.

De jongen schudde het hoofd.

"Ik word nooit zo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan koopen," dacht hij.

Maar nu hadden ze hem in 't oog gekregen. In alle winkels in de heele straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.

Toen de jongen voorthep, sprong een van de kooplieden over de toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, en dat ze hem met rust moesten laten.

Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen stapel prachtige waren naar hem toe.

"Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil verkoopen?" dacht de jongen verwonderd.

De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde met een paar groote, zware zilveren bekers.

Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.

Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen de handen vol gouden en zilveren,