Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/125

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

en boden hem die aan. En allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één enkele kleine penning was.

Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, en hij dacht na, of hij niet op een of andere manier zou kunnen helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, dat hij zoo pas aan het strand had gezien.

Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij vloog erdoor, en begon naar het klein geroeste muntje te zoeken, dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!

De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in 't begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.

Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel aanstooten om zich te doen opmerken.

"Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik," zei Mijnheer Ermerik.

"Ach. Mijnheer Ermerik!" zei de jongen. "Wat was dat voor een stad, die hier zoo pas stond?"

"Heb je een stad gezien?" zei de ooievaar. "Je hebt geslapen en gedroomd, zooals ik zei."

"Neen, ik heb niet gedroomd," zei Duimelot, en hij vertelde den ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik:

"Ik voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op 't strand in slaap gevallen bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig dat nooit een stad heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde één uur lang."