"Ja, dat moet het wezen," zei Duimelot, "want dat heb ik gezien."
"Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en sterven als alle andere menschen."
"Och. Mijnheer Ermerik," zei de jongen, "nu begrijp ik, waarom u mij is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!"
Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te zeggen, wie er 't meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.
de levende stad.
Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.
Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. 't Veld was geruit, precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.
De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad dacht, die zich op zoo'n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar gene vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie gebouwen en statige menschen.
Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.
Juist toen de jongen 't ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van