Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/127

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Gothland teruggekomen, en had over het geheel eiland moeten reizen, eer ze van een paar kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland waren. Toen Kaksi hoorde, dat Duimelot scheelde, zei ze op eens:

"Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw troosten. Kom maar mee, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroef te wezen."

Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar 't land beneden zich te kijken, waar hij heen vloog.

Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van de beginne af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die erover gerold, alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk geworden was, als brooddeeg — dat was het niet. Toen ze langs de kust vlogen, had hij op verscheidene plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren zij met den weg gelijk gemaakt en het strand liep vlak en eentonig uit in zee.

Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. 't Was zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, en waar ok maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.

't Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna bereikten. 't Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.

Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, waarbij ze in een kring stonden, en zongen erbij. En het Leger des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen wapperden. En ze