Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/128

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze kon hooren.

De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te denken aan spel en zang.

Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, maar een stad, die aan 't strand lag.

De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in den Paaschnacht had gezien.

Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere uit de zee, en er toch ook niet op leek. 't Was 't zelfde verschil, alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke versierselen, en den anderen dag ontkleed of in lompen.

Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.

Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor 't grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren wit gekalkt, en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meeste waren zonder spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar boven. Maar nu wist hij hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.

De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich