eens hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, vol van allerlei werk.
Maar wat Niels Holgersson niet zag, was dat de stad nog op dat oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij niets goeds in het tegenwoordige kon zien.
De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door te brengen.
Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had kunnen redden.
Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was't maar beter, dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.
"'t Was 't beste dat 't ging zooals het ging," dacht hij. "Al had ik de macht de stad te redden, — ik geloof niet, da ik het doen zou."
Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.
En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te zijn — dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een prachtig Vineta op den bodem der zee.