en dadelijk vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen kijken naar 't werk van onzen lieven Heer.
"Ik heb 't mijne al lang in orde," zei Petrus, en men kon aan zijn stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen.
Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van dat land niets dan goeds was te zeggen. 't Was een vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen zag, en nauwelijks een zweem van bergen. 't Scheen, dat onze lieve Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het er goed zouden hebben.
"Ja, dit is een mooi land," zei de Heilige Petrus, "maar ik geloof toch, dat het mijne beter is."
"Laat ons er eens naar gaan kijken," zei onze lieve Heer.
't Land was al klaar geweest in 't noorden en in 't oosten, toen Petrus was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en 't geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó, dat Hij bleef staan, en zei: "Wat ter wereld heb je toch met dit land uitgevoerd. Heilige Petrus?"
Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend, dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald, en een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht, dat alles goed in orde was.
Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in Skaane was, en meer was er niet noodig om aan te toonen, hoe weinig zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt, maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon groeien. Wat er in overvloed was — dat was water. Dat had alle kloven in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo'n gebrek aan was, dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken opstoven bij den minsten wind.
"Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo'n land te scheppen!" zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het veel van de zonnewarmte zou krijgen.