Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/134

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Heilige Petrus verloor den moed niet, maar probeerde onzen lieven Heer te troosten."

"Trek u dit maar niet zoo erg aan," zei hij. "Wacht maar, tot ik menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers kunnen ontginnen op de rotsen."

Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en Hij zei: "Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen, maar den Smalander wil ik zelf scheppen."

En toen schiep onze lieven Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, oondernemend en flink, opdat hij zou kunnen leven in zijn armoedig land." Toen zweeg de kleine Mads, en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heilige Petrus was gegaan, toen hij den Skaaning scheppen ging.

"Ja, wat vindt je zelf?" zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk, dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was nog een klein ventje, en Asa, 't ganzenhoedstertje, die een jaar ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun de rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die Smalandskinderen om.