Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/135

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XIV.

DE AARDEN KRUIK.



In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel heidekruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen, lijsterbessen, en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje, met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen, die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan gegaan. 't Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt.

Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een kraai gelukt dien weg te pikken.

Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel zou meenen, maar werd door een groot kraaienvold bewoond Het heele jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren; 's zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug.

De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij