overdag, en als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd, ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone slaapplaats naar de leege kamer.
Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst deden. Windsnel, Haspel en een paar andere waren in een grooten kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niets anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden.
Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen steenen en grastoetjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten, of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun.
Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand hoorden zeggen: "Zal ik jelui helpen, kraaien?" Ze keken haastig op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft, dien ze ooit hadden gezien. Zijn eenige fout was dat hij maar één oor had.
"Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen," zei Windsnel, "zullen we geen "neen" zeggen." Op 't zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot, en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen.
"Kun jij er achter komen, wat daarin zit?" vroeg Windsnel.
De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam.
"Dat kan niet anders dan zilvergeld zijn," zei hij.
Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. "Denk je, dat het zilver kan zijn?" zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van begeerigheid, want hoe vreemd het ook klinken moge — er is niets in de wereld, waar de kraaien zóóveel van houden, als van zilvergeld.
"Hoor ze eens rammelen!" zei de vos, en rolde den pot nog eens rond. "Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we erbij kunnen komen."
"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn," zeiden de kraaien.
De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en