Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/138

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

dacht na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte.

"Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken," zei de vos.

"Wie dan? Wie dan?" riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze in den kuil vlogen.

"Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden aan te nemen," zei hij.

Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd.

De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk op dit voorstel in.

Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar 't was moeilijker uit te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren.

Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder dat de kraaien op 't kraaienveld een glimp van hen te zien kregen.



DE ROOF.

De wilde ganzen waren wakker bij 't eerste krieken van den dag, om te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden, was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was het erger. Hij kon niets eetbaars vinden.

Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kant stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op een met boomen begroeide landtong, vlak voor het eiland, speelden. Hij wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen.

De groote witte gans zwom vlug met hem over 't water, maar het ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó'n plezier hadden met elkaar van boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen te luisteren. Ze trokken zich verder in 't bosch terug. Hij liep hen hard achterna, en de ganzerik, die aan 't strand bleef liggen, verloor hem al gauw uit het oog.